Griekse crisis is gevaar voor euro

Het enorme financiële tekort van Athene bedreigt ook andere eurolanden. Iedereen kijkt nu naar Berlijn.

Greek Prime Minister George Papandreou, center, speaks during an economic policy speech aimed to soothe international markets increasingly worried by the country's ballooning public debt and budget deficit, in Athens, Dec. 14, 2009. Greece's debt has soared to a staggering euro 300 billion (US$ 442 billion), and the country has a 12.7 percent deficit. (AP Photo/Petros Giannakouris) AP

Dinsdagochtend vroeg reisde de Griekse minister van Financiën, Giorgos Papaconstantinou, naar Berlijn. Daar besprak hij de Griekse financiële problemen met collega Wolfgang Schäuble, die bezig was vast kerstfeest te vieren met medewerkers. Daarna vloog hij naar Parijs. Na een kopje thee met de Franse minister Christine Lagarde zette hij ’s avonds koers naar Londen voor besprekingen met ‘de markten’ en minister Alistair Darling.

Griekenland zit diep in de penarie, met 300 miljard euro staatsschuld en een begrotingstekort van 12,7 procent van het bbp. De Grieken geven toe dat ze corrupt zijn en beloven stevige hervormingen, maar dagelijks vallen er lijken uit de kast. Gisteren besliste alwéér een ratingbureau dat Athene waarschijnlijk extra rente moet betalen om leningen te krijgen.

Ministers uit andere eurolanden doen soms alsof alleen Griekenland dit probleem kan oplossen. Het omgekeerde is waar. Budgettaire wanprestaties van één euroland beschadigen de euro en de hele eurozone. Het Nederlandse pensioenstelsel met zijn kapitaaldekking kan enorme klappen oplopen. Dat de Grieken in zo’n neergaande spiraal konden belanden, bewijst dat de gemeenschappelijke regels die voor de eurozone zijn bedacht - het Stabiliteits- en Groeipact -, niet werken.

Volgens de Italiaan Tommaso Padoa-Schioppa, voormalig bestuurslid van de Europese Centrale Bank, dwingt het pact eurolanden niet hun economische politiek te coördineren en overheidsfinanciën op orde te houden. „Vrijwillige samenwerking”, zo karakteriseert hij het. Leuk bij mooi weer; nu het stormt, voldoet het niet.

Wat, vroeg Padoa-Schioppa al vóór de euro in 1999 werd geïntroduceerd, is een collectief regelsysteem waard voor diverse landen met uiteenlopende economieën die één munt delen, als je een land dat uit de band springt niet kunt disciplineren? En als een land failliet gaat, wat moeten de anderen dan? Dat land uit de eurozone zetten? Of schulden afbetalen en het land onder curatele plaatsen? Wie betaalt die schulden?

Dit zijn exact de vragen waar de eurolanden nu mee geconfronteerd worden. Voor sommigen, zoals Nederland en Duitsland, is dat extra pijnlijk omdat zij vóór de introductie van de euro gevochten hebben voor harde collectieve afspraken. Als zij hun zin hadden gekregen, had Griekenland precies geweten wat het boven het hoofd hing, en wat het te doen stond. Het land zou zijn zaak maar bij één centrale instantie hebben hoeven bepleiten.

Nu weet niemand waar hij aan toe is. De volgende stappen zijn afhankelijk van wat de belangrijkste Europese hoofdsteden bedenken om heelhuids uit de malaise te komen. Vandaar dat Papaconstantinou deze week niet naar de Europese Commissie in Brussel, de ECB in Frankfurt of zelfs de Luxemburgse eurogroepvoorzitter reisde. Nee, hij ging – in volgorde van belangrijkheid - naar Berlijn en Parijs. En daarna naar Londen.

Het pact is een gentleman´s agreement. Er staat in dat eurolanden (en kandidaat-leden) geen begrotingstekort mogen hebben hoger dan 3 procent van het bbp, en geen staatsschuld hoger dan 60 procent. Maar als landen zich daar niet aan houden, treedt er niet automatisch een strafmechanisme in werking. Nee, dan beslissen de andere eurolanden wat er gebeurt. Alles is dus arbitrair en politiek. De grootste economieën hebben de grootste stem. „Het pact,” zegt Mathieu Segers, hoogleraar in Utrecht, „leidt meer tot discussie dan tot besluitvorming.”

Nederland doet alsof het pact van beton is. Maar dat is „ronkende retoriek. Nederland vindt, net als Duitsland, dat een muntunie van landen met verschillende economieën keiharde regels nodig heeft.” Liefst wilden zij in de jaren negentig eerst werken aan een economische unie, voor er een monetaire unie kwam. Dat zou de euro een meer solide basis geven.

Tijdens de onderhandelingen over de Europese Monetaire Unie en later over het pact moest Duitsland bakzeil halen. De Fransen wilden eerst een monetaire unie; een economische unie zou ‘vanzelf’ volgen. Door de politieke dynamiek van dat moment – de Duitse eenwording – moest Duitsland zich van een ‘goede Europese kant’ laten zien.

Hoezeer grote landen het pact domineren, bleek in 2003. Frankrijk en Duitsland overtraden de begrotingsregels. Zij werden niet gestraft, maar drukten een versoepeling door van het pact. Nu, in de ergste crisis sinds de jaren dertig, overtreden álle landen het pact. Frankrijk wil de regels weer versoepelen. Maar Duitsland heeft ze nu in de grondwet verankerd, en weigert. Dus, typerend, gebeurt het niet. Volgens Berlijn lost aanpassen van het pact de onderliggende problemen niet op.

Deze crisis toont aan dat er van een economische unie nog geen sprake is. Elk land heeft zijn eigen beleid. Omdat er geen Europese belastingen zijn, is er geen Europees ‘potje’ om banken of landen overeind te houden. Zo komt het dat op een interne markt vol pan-Europese bedrijven regeringen ineens ‘hun’ banken nationaliseren. Het pact blijkt even weinig crisisbestendig als de staatssteunregels: ook bij ‘bail-outs’ van zwakke eurolanden moet een land het voortouw nemen. Nu Griekenland in moeilijkheden verkeert en andere landen de gevarenzone naderen, kijkt iedereen naar Berlijn. Dit is precies waar Duitsland in de jaren negentig bang voor was: dat de zwakke broeders op de sterke zouden proberen te leunen.

IMF-specialisten zijn onderweg naar Athene. Het IMF is er om noodleningen te verstrekken. Maar non-interventie van eurolanden kan het vertrouwen van investeerders in de euro ondermijnen. Twee maanden hebben eurolanden en functionarissen van de Commissie en de ECB Griekenland afgeblaft, om de markten en Athene zelf het idee te geven dat het pact keihard is. Maar niemand is erin getrapt. Iedereen weet dat hun verbazing bij de ‘ontdekking’ van een verdubbeld begrotingstekort in oktober grotendeels gespeeld was.

De markten rekenen meedogenloos met Griekenland af – of, eigenlijk, met illusies rond het pact.

De eurogroep staat voor de keus: fragmentatie, of eindelijk aan de slag met de E van EMU – economische coördinatie. Daar hoort een grotere Europese begroting bij, Europese belastingen en een duidelijk bail-out-plan. Duitsland lijkt bereid Griekenland financieel te helpen in ruil voor een pact dat tanden heeft. In een tijd van euroscepsis is dit een moeilijke klus.

    • Caroline de Gruyter