De huisfotograaf van de Goelag Archipel

Het beeld van fotograaf Aleksandr Rodtsjenko als kunstenaar die leed onder Stalin, is onjuist.

Vanaf morgen is in Foam een tentoonstelling te zien over het werk van Rodtsjenko.

Joeri Dimitrijev draagt een militair camouflagepak en heeft een Duitse herdershond bij zich. We ontmoeten elkaar in een bos, niet ver van het Belomorkanaal dat begin jaren dertig werd aangelegd. In een van zijn borstzakken is een pistoolholster zichtbaar. „Waarom bent u bewapend”, vraag ik. „Omdat de burgeroorlog niet is afgelopen.”

Joeri Dimitijev (53) is historicus en werkt voor een burgerorganisatie die rehabilitatie van de vervolgden tijdens het stalinisme nastreeft. Bij de aanleg van het Belomorkanaal, door de bekende kunstenaar Aleksandr Rodtsjenko (1891-1956) in heroïsche tinten gefotografeerd, zijn vele dwangarbeiders omgekomen. De historicus ziet het als zijn levensdoel, „als mens en als historicus”, de massagraven op te sporen.

Ik, fotograaf voor NRC Handelsblad in Rusland, ben bij het Belomorkanaal om te zoeken naar het archief van Rodtsjenko, vooral naar negatieven van zijn foto’s over de aanleg van het kanaal. „Wat kan ik zeggen over Aleksandr Rodtsjenko”, zegt Joeri Dmitrijev. „Niets goeds. In de archieven van de GPOe [het Politieke Staatsdirectoraat, opvolger van de eerste geheime dienst Tsjeka en voorloper van de latere KGB – red.] ben ik de naam van Rodtsjenko tegengekomen in relatie tot de organisatie van de donkere kamer bij de aanleg van het Belomorkanaal.”

Het Belomorkanaal was het markantste project in de geschiedenis van de staatsveiligheidsorganen. Op een speciale zitting van de regering onder leiding van Stalin werd in 1929 een geheim bevel aangenomen over het gebruik van dwangarbeid. De aanleg van het Belomorkanaal, een kanaal van 227 kilometer dat de Oostzee met de Noordelijke IJszee moest verbinden, kon beginnen. De dwangarbeid werd verricht door politieke gevangenen, ‘volksvijanden’, uit alle delen van de Sovjet-Unie. Er zijn naar schatting tijdens de aanleg van het kanaal tussen de 100.000 en 200.000 mensen gesneuveld of doodgeschoten.

Maar ‘rationalisering’ van de arbeidskracht alleen was niet genoeg. Een ideologie was ook noodzakelijk, een ideologie over de ‘heropvoeding der gevangenen’. Zij die deze achter de rug hadden, konden een medaille of oorkonde krijgen, onmiddellijk worden vrijgelaten of worden geroepen tot een ambtelijke carrière in de Goelag. Voor de ideologische ondersteuning van dit project waren kunstenaars, fotografen, schrijvers en dichters nodig. ‘Ingenieurs van de ziel’, zoals dat heette.

Bij het Belomorkanaal werd een speciale afdeling opgezet voor de ‘culturele opvoeding’. Er was een theatergroep die uit gevangenen bestond, en een kapel voor de arbeidsvitaminen. Er verscheen een kampkrant, de Ommekeer. Fotografie was indertijd een der nieuwe propagandamiddelen. De fotograaf en constructivistische kunstenaar Rodtsjenko was een van de bekende grondleggers van de ‘fotomontage van de werkelijkheid’ en andere reclame voor de ‘dictatuur van het proletariaat’.

Waarom werd juist Rodtsjenko de fotograaf van de GPOe aan het Belomorkanaal? Uit zijn biografie blijkt dat hij al eerder contact met de geheime dienst had. Reeds begin jaren twintig bestond in Moskou de Salon Lili Brik , opgericht door de vriendin van de dichter Vladimir Majakovski. Lili Brik werkte voor de GPOe (legitimatienummer 15073). Haar salon werd geprotegeerd door adjunct-chef Jakov Agranov van de GPOe, een beul die tientallen mensen heeft doodgeschoten, onder wie de dichter Nikolaj Goemiljov. Het doel van de salon was de culturele intelligentsia onder controle te krijgen en houden. De schrijver Boris Pasternak noemde het gezelschap dan ook de „politiesalon”. Rodtsjenko was een huisvriend van Brik en haar man Osip en geregeld te gast in de salon.

Via dit contact werd Rodtsjenko benaderd om de voltooiing en opening van het Belomorkanaal te fotograferen. Hij kreeg daarvoor een honorarium en eten. Zijn leven was behoorlijk comfortabel. Dat blijkt uit documenten en een brief aan zijn vrouw Varvara Stepanova. ‘Ik heb je niet geschreven omdat ik, niet wetend wat of hoe, nog geen pasje had. Nu is alles in orde. Ik ben gezond en zie er goed uit. Ik eet, ik drink, ik slaap. Maar ik werk nog niet. Morgen begin ik. Alles is ongelooflijk boeiend. Tot nu verpoos ik me gewoon. De omstandigheden zijn schitterend. Vertel niemand dat ik bij het Belomorkanaal ben.’ Dat laatste schreef hij omdat het kanaal toen nog een geheim object was.

Zijn vrouw wist mogelijk niet dat haar man voor de GPOe werkte. Zij schrijft Rodtsjenko uit Moskou: ‘De collega’s zijn beduusd dat jij met niemand contracten over het kanaal hebt afgesloten, dat je daar drie maanden zit, dat je geen foto’s verhandelt en dat je geen diensten aan de GPOe levert en ze jou niet betalen.’

Maar Rodtsjenko kreeg wel degelijk geld van de geheime dienst, al is het bedrag niet precies bekend. Hij kreeg van de GPOe ook te eten en leefde in het stadje Medvezjegorsk, waar ook de directie van het kanaalproject was gevestigd. Hij had een pasje en kon zich zonder bewaking door de kampen en over het kanaalterrein bewegen.

Volgens Rodtsjenko zelf heeft hij bij het Belomorkanaal meer dan 2.000 foto’s gemaakt, waarvan er nu nog maar 30 bekend zijn. Hij gaf zijn foto’s zelf ook vorm voor het propagandistische tijdschrift De Sovjet-Unie bouwt in december 1933 en voor een boekje met de titel Belomorkanaal Stalin, want het project droeg de naam van de grote leider. In het tijdschrift Sovjet Foto schrijft hij over de rol van kunstenaars bij de ‘heropvoeding’ van moordenaars, uitschot en volksvijanden: ‘Ik ben overdonderd door de fijngevoeligheid en wijsheid, waarmee de heropvoeding van mensen wordt gerealiseerd. Iedereen wordt individueel benaderd.’

In 1919 had hij zijn geëngageerdheid als volgt verklaard: „De kunst loopt nu vooruit op het leven, de kunst is niet meer vervreemd. De kunst voorziet slechts de toekomst. Jullie zullen ook zijn zoals de kunst nu is in haar abstracte vormen, toon, gewicht en compositie. Wij zijn de penselen van het proletariaat, de commissarissen van de kunst.”

Rodtsjenko noemde dat “ervaringen voor de toekomst”. Deze toekomst bleek het tijdperk van stalinistische terreur te worden. De mens werd daarbij gereduceerd tot een abstractie. Een kunstenaar gebruikte in die tijd noch penseel en verf noch camera en filmrolletjes, nee, hij gebruikte de mens en de samenleving voor zijn eigen constructie van de toekomst.

Vertaald uit het Russisch door Hubert Smeets.

    • Oleg Klimov