Bijzonder beest

Homer’s Odyssey heet het boek dat de Amerikaanse publiciste Gwen Cooper over haar kat schreef. De titel van de Nederlandse vertaling is gewoner, Wonderkat, maar minstens zo toepasselijk, want de kater Homerus is ontegenzeggelijk een wonderbaarlijk dier.

Cooper schreef een fascinerend boek over hem. Geen literair hoogstandje, want Cooper heeft een nogal babbelzieke stijl, maar wel een overtuigend portret van een bijzonder beest.

Homerus leeft nog. Op internet vond ik een promotiefilmpje over hem en zijn bazin. Hij kruipt vriendelijk om haar heen, er lijkt niets vreemds aan hem. Maar mensen die van dichtbij met hem geconfronteerd worden, schrikken altijd even. Ze kunnen hem niet in de ogen kijken, want Homerus heeft geen ogen. Homerus is een blinde kat, zijn ogen zijn dichtgenaaid. Daarom noemde Cooper hem naar de blinde dichter van de Odyssee.

Zij kreeg hem als jong katje van een dierenarts, die ermee was opgescheept door mensen die hem op straat hadden gevonden. Hij was twee weken oud en leed aan een ernstige ooginfectie. Er waren verder geen liefhebbers voor Homerus. De meeste mensen vonden het beter als hij werd afgemaakt.

Cooper, die al twee katten had, wilde hem wél een kans geven. Uit schuldgevoel, schreef ze later. „Als ík hem niet nam, zou niemand dat doen.”

Homerus ontpopte zich al snel als een uiterst levendige, nieuwsgierige kat met een hoog aaibaarheidsgehalte. Hij wilde en gaf aandacht. De twee andere katten hadden aanvankelijk moeite met hem, maar aanvaardden hem toch.

Homerus compenseerde zijn handicap met een formidabele tast- en reukzin. Hij kon een stukje tonijn drie kamers verderop ruiken, hij sprong rechtstandig anderhalve meter hoog om feilloos een vlieg te vangen. Hij klom overal in en op, en sprong er weer even onverschrokken vanaf. In elke nieuwe omgeving – Cooper verhuist van Florida naar New York – vindt hij snel de weg.

Tussen Homerus en Cooper ontwikkelt zich een symbiotische relatie. Hij is gevoelig voor haar stemmingen, uitgelaten als zij blij is, ingetogen als hij bij haar verdriet voelt. Een leven zonder Homerus wordt ondenkbaar voor haar. Iedereen zal hem moeten accepteren, ook de minnaars die af en toe langskomen.

Dankzij twee gebeurtenissen groeien kat en bazin nog dichter naar elkaar toe.

Op een nacht staat er opeens een inbreker in haar flat. Homerus, ’s nachts altijd extra alert, reageert furieus. Hij kan de man dankzij diens stemgeluid lokaliseren en verjaagt hem met zijn klauwen. Cooper ervaart het als een levensreddende interventie.

Dan voltrekt zich de tragedie van 9/11. Cooper woont vlakbij de Twin Towers, ze is naar kantoor als de vliegtuigen zich enkele straten verderop in de gebouwen boren. Ze woont op de dertigste verdieping en haar eerste vertwijfelde gedachte is dan ook: „Gebroken ruiten en een blinde kat.”

Haar verslag van de daaropvolgende dagen vormt het hoogtepunt van het boek. Indringend beschrijft ze hoe ontredderd de gewone burger zich voelde, levend in ondraaglijke angst voor het lot van vermiste mensen en dieren. Als lezer loop je náást haar terwijl ze dagenlang haar flat probeert te bereiken in een met as overdekt inferno.

Als het haar eindelijk lukt, volgt de beste zin van het boek: „Dag katjes”, mompelde ik hees. „Ik ben er.”

    • Frits Abrahams