Bernhard wilde helemaal niet naar Indonesië

Het Koninklijk Huisarchief bevat niets dat erop wijst dat Bernhard onderkoning van Indonesië wilde worden, verzekert Cees Fasseur.

Jort Kelder en Harry Veenendaal houden in NRC Handelsblad van 10 december een pleidooi voor openbaarmaking van de archieven waarin de verrichtingen van prins Bernhard worden beschreven. Dat gebeurt met soms grote woorden (‘De geschiedenis is van ons allemaal’). Zij doelen in het bijzonder op de documenten over de prins in het Koninklijk Huisarchief. Hun hoop is in deze documenten het bewijs te vinden dat tot nu toe aan hun beweringen ontbreekt.

Die beweringen, zoals vastgelegd in hun haastig samengestelde, in eigen beheer uitgegeven boek ZKH, komen erop neer dat de prins betrokken zou zijn geweest bij wapenhandel en de couppoging van voormalig KNIL-kapitein Westerling tegen de toenmalige Indonesische regering in januari 1950. De prins, zo denken beide auteurs, had graag ‘onderkoning’ van Indonesië willen worden, zoals zijn goede vriend Lord Mountbatten dat van India was. Vandaar.

Het is een wonderlijke redenering. Het zal toch niet de bedoeling zijn geweest de Indonesische president Soekarno en de prins broederlijk te verenigen in het bestuur van het sinds eind 1949 onafhankelijk geworden Indonesië? ‘Boeng Karno’ en Bernhard. Ik denk overigens dat ze het best met elkaar hadden kunnen vinden, ook wegens gemeenschappelijke interesses waarover ik niet nader zal uitweiden.

Harde bewijzen voor hun beweringen hebben Kelder en Veenendaal tot nu toe niet kunnen vinden, zoals ze zelf ook min of meer toegeven. Hun hoop is dat die bewijzen aanwezig zijn in het Koninklijk Huisarchief. Die hoop is ijdel. Er ligt daar niets wat hun beweringen kan staven en ik meen op dit punt enig recht van spreken te hebben. Toen ik in de zomer van 2005 werd uitgenodigd een boek te schrijven over Juliana en Bernhard heb ik als eerste voorwaarde gesteld dat ik toegang kreeg tot alle stukken in het Koninklijk Huisarchief die ik relevant zou achten. Daartoe heb ik vooraf de agenda’s, registers en andere archieftoegangen bestudeerd, ben ik in de depotkelders afgedaald, inspecteerde ik de inhoud van archiefkasten en vroeg ik duizend-en-één stukken op om ze in te zien. Ik kreeg daarbij alle medewerking die ik maar wensen kon (en ik ben doorgaans niet zo gauw tevreden).

Het resultaat was een geruchtmakend boek dat in november 2008 verscheen en in wijde kring werd besproken. Naast positieve beoordelingen was er kritiek. Menig lezer schudde het hoofd over de inhoud. „Was het allemaal wel nodig om zo gedetailleerd in te gaan op het privéleven van koningin en prins?” was een veelgehoorde opmerking. Kelder en Veenendaal hebben kennelijk Juliana en Bernhard. Het verhaal van een huwelijk. De jaren 1936-1956 niet gelezen. Hoe kunnen zij anders suggereren dat de koningin mij niet „in volle vrijheid [zou] hebben laten wroeten in alle vuile Oranjewas”?

Integendeel, ik prijs de moed van Hare Majesteit dat zij haar archief, ook voor zover het een pijnlijke episode uit het leven van haar ouders betreft, zo kort na hun dood en zonder enig voorbehoud aan mij ter beschikking heeft gesteld. Ik zie dat anderen nog niet zo gauw doen.

Het Koninklijk Huisarchief is een particulier archief van leden en vroegere leden van het Koninklijk Huis. De Archiefwet 1995 is op dergelijke particuliere of familiearchieven niet van toepassing; evenmin het daarin neergelegde systeem van openstelling. De motie-Kalsbeek om het archief toch deels openbaar te maken was daarom een slag in de lucht. Overigens werd een tweede motie-Kalsbeek-Dittrich van dezelfde strekking op 12 oktober 2005 door de Tweede Kamer verworpen; een lot dat een jaar later ook een motie-Van Raak-Dijksma trof. Er is dus een wetswijziging nodig, maar dan zullen daarin ook andere particuliere archieven moeten worden betrokken (van Lubbers, Kok en andere prominenten) waarin zich stukken kunnen bevinden van staatkundig belang. Ik zie dat niet gauw gebeuren.

Ongetwijfeld zal het Koninklijk Huisarchief ook voor de periode van Juliana en Bernhard in een hopelijk niet al te verre toekomst opengaan voor andere serieuze onderzoekers, zoals dit bij de meeste particuliere of familiearchieven het geval pleegt te zijn. Dan zal blijken dat ik geen woord te veel heb gezegd (of te weinig). Tot dan toe zullen belangstellenden op mijn kompas moeten zeilen. Ja, dat is wel behelpen, ik weet het, maar het is voorlopig niet anders. En wat alle complottheorieën betreft met Bernhard als stralend middelpunt die in de ‘bookazine’ van Kelder en Veenendaal opgeld doen, onwillekeurig schieten mij de laatste woorden van de bekende kerkhervormer Johannes Hus in gedachten. Toen deze in 1415 op de brandstapel stond, veroordeeld voor zijn ketterse denkbeelden, zag hij een oud vrouwtje aansnellen om nog wat takjes op het vuur te werpen.

Nu wil ik Jort Kelder (of in de rol van zijn Sancho Panza Veenendaal) niet met dat oude vrouwtje vergelijken, maar de woorden van Hus lijken mij in dit geval wél ter zake: ‘Sancta simplicitas’, heilige onnozelheid.

Cees Fasseur is emeritus-hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Leiden.

    • Cees Fasseur