Schaatsen en navelstaren

De Hel van ’63 trekt een half miljoen bezoekers. Mijn gok. Niet omdat het zo’n briljante film is. Het is een innemend onhandig epos over samen afzien tijdens een helse Elfstedentocht en Steven de Jong houdt de spanningsboog aardig overeind, episodes van wansmaak terzijde (na een hongerklop droomt een schaatser van zijn vriendin die aan een banaan zuigt: we zijn weer thuis). Maar omdat De Hel van '63 de nestgeur biedt waar we zo naar hunkeren. Het Nederland van De Jong is er één van brutale boerenjongens in kiel en mopperende ouwe heren met bolknak. Zie ook zijn vorige hitfilms De Schippers van de Kameleon (745.000 bezoekers) en Kameleon 2 (414.000). Het is een land waar we nooit woonden maar dat we heel goed kennen. Waar Nutricia en Unox graag aan ‘product placement’ doen.

De toptwintig van Nederlandse filmhits van het laatste decennium puilt uit van nostalgiefilms naar het oude ‘moderne’ Nederland van rechte lijnen, erkend gezag en heldere normen, voordat relativisme en hedonisme, immigratie en globalisering vanaf de jaren zestig postmoderne verwarring inluidden. Toen we nog knus onszelf en onder ons waren. En onze voortreffelijke eigenschappen etaleerden: openheid, enthousiasme, saamhorigheid. Annie M.G. Schmidt-films ruiken naar die verloren onschuld: Minoes, Pluk van de Petteflet, Abeltje. Of Ja Zuster, Nee Zuster. Jongensboekenfilms: Kruimeltje, Pietje Bell.

Ook in twee recente films van Ben Sombogaart is Nederland met zichzelf bezig. In Bride Flight verplaatst hij een doorsnede van naoorlogs Nederland naar Nieuw-Zeeland; in De Storm ontworstelt ruimdenkend, jong Nederland zich aan zijn benepen verleden. Allemaal veel subtieler dan De Hel van '63, al klonk in een trailer van De Storm ook Elfstedentochttaal van afzien en stoempen: „Tijden van rampspoed stellen een volk op proef. Maar we vochten terug!”

Ronkend nationalisme is geen voorwaarde voor succes, als de films maar over ons gaan, met verhalen waarin we ons kunnen spiegelen en feliciteren. Dat thema heeft de Nederlandse film een bloeitijd gebracht, met een marktaandeel van 15 procent. In de jaren negentig was dat vaak 4 procent. Maar Nederlandse films wonnen toen wel twee Oscars: Karakter en Antonia.

Onlangs kreeg de Waalse regisseur Bouli Lanners de vraag voorgelegd waarom Waalse films meer succes hebben dan Vlaamse. Welnu, Wallonië heeft gelukkig geen nationale identiteit, zei Lanners. Als Frans buitengewest wil je in Parijs scoren. Soms met couleur locale, nooit over couleur locale. „Vlamingen zijn erg bezig met hun identiteit”, zei Lanners. „Vlaamse films voeden op de eigen gemeenschap, eigen sterren, eigen bestellers. Daar komen dan 700.000 mensen op af, ontzettend veel. Maar die films zijn te particulier voor export.”

Dat doet denken aan de Nederlandse film sinds Fortuyn. Geen films over mensen, maar over Nederlanders. Een gezonde filmindustrie zonder export. Navelstaren, dat doe je in je eentje.