Ook een barbecue kan ontaarden in geweld

Veiligheid is niet maximaal maakbaar, zoals het COT-rapport over Hoek van Holland suggereert. En in de meeste gevallen gaat het wel goed, betoogt Rinus van Schendelen.

De politie en het bestuur van Rotterdam hebben op vrijwel alle punten gefaald in hun aanpak van de rellen in Hoek van Holland. Aldus U. Rosenthal en E.R. Muller, de hoofdauteurs van het desbetreffende rapport van het Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement (COT). Hun stelling is dat zulke rellen door een betere aanpak voorkomen kunnen worden. Daartoe geven zij ruim dertig adviezen. Zijn die zinnig?

Het Hoekse dansfestijn was slechts één evenement uit, naar het rapport meldt, ongeveer 1.700 zeer diverse evenementen in Rotterdam per jaar, variërend van het massale Zomercarnaval tot middelgrote dansfestijnen zoals in Hoek van Holland en kleinschalige buurtbarbecues. Groot of klein, elk kan ontaarden in geweld. Om op basis van één casus uit een groot aantal diverse evenementen te adviseren tot een algemene beleidsaanpak, is een onbetamelijke generalisatie. Zelfs wanneer liefst vijf evenementen per jaar zouden ontaarden (wat niet het geval is), dan nog zijn zij geen voldoende basis voor algemene advisering. Wie dit laatste wil, moet ook nagaan waarom 1.695 evenementen wel veilig verliepen. Is deze successcore van 99.7 procent geen fantastische prestatie?

Inhoudelijk fragiel zijn de COT-adviezen waar zij, zoals logisch bij elke advisering, waargenomen feiten (‘wat zou zijn’) toetsen aan gekoesterde normen (‘wat zou moeten’). Laten wij aannemen dat de feitenconstatering klopt, omdat volgens het rapport vele betrokkenen het conceptrapport mochten corrigeren op feitelijke onjuistheden. Dan blijven de normen over. Zij beslaan in het rapport van 160 pagina’s welgeteld één pagina en worden op onderdelen uitgewerkt in die dertig adviezen. De normen zijn hoogst opmerkelijk. Zo moet(en) vooraf onder meer „de personele, materiële en organisatorische voorzieningen toereikend zijn”, „met alle relevante risicofactoren rekening worden gehouden”, „heldere draaiboeken (…) doorleefd zijn door de betrokkenen” en moet achteraf „de evaluatie zorgvuldig en serieus aangepakt worden”. Per evenement zou de politie vooraf alles moeten weten, kunnen en controleren via commando en coördinatie.

Deze normen behoren tot het bureaucratiemodel van Max Weber uit het begin van de vorige eeuw. Geïnspireerd door nieuwe organisatiebeginselen in het Pruisische leger stileerde hij deze tot zijn model, waarvoor hij geen enkele geldigheid claimde. Sterker: later onderzoek heeft aangetoond dat het Pruisische leger geenszins zo functioneerde en dat er nog nooit zo’n bureaucratie heeft bestaan. De kracht van het utopische model is dat het die beginselen op studiepapier maximaliseert en dit is tevens de zwakte van elk rapport dat zijn aanbevelingen voor de praktijk hierop baseert. In de praktijk kan niemand ooit maximaliseren, want iedereen heeft altijd te maken met beperkingen van informatie, middelen, tijd, medewerking et cetera. In de praktijk moet men altijd optimaliseren: zo goed mogelijk presteren, binnen alle harde en vaak onvoorzienbare beperkingen.

Het COT gaat ervan uit dat veiligheid maximaal maakbaar is en geeft zo’n dertig adviezen voor een praktijk zonder beperkingen. Zo adviseert het voor bijvoorbeeld de schatting van het bezoekersaantal dat „alle betrokken diensten de verwachtingen daaromtrent onderschrijven (…) op basis van objectieve gegevens (…) met op basis van specifieke criteria een eenduidige rekenmethode op basis waarvan de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van personeel en middelen kan worden bepaald”.

Stel dat de politie bij alle 1.700 evenementen per jaar al die adviezen zou opvolgen, dan is zij vermoedelijk na 300 evenementen in een paar maanden door haar jaarbudget heen. Dan moet het gemeentebestuur de overige 1.400 evenementen en het andere politiewerk stoppen of in Den Haag lobbyen voor verzesvoudiging van het jaarbudget. Hoeveel burgers willen zo’n prijs betalen voor een louter denkbeeldige kans op zero-risk? Verkiezen de meesten niet een score van 99.7 procent, behaald zonder COT?

De Rotterdamse gemeenteraad komt deze week aan zet. Het laatste woord zal nog niet gesproken worden. Er is dus nog tijd voor redelijkheid en nuchterheid, welke taal de meeste burgers beter verstaan dan die van overdrijving.

Rinus van Schendelen is hoogleraar politicologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Lees het COT-rapport over Hoek van Holland op nrc.nl/binnenland