'Mexico' de stad van hel en hoop

Tentoonstelling Mexico: expected/unexpected, t/m 1/1 Stedelijk Museum Schiedam. Di-zo 10-17 uur. Inlichtingen: 010-2463666, stedelijkmuseumschiedam.nl

Je moet in Mexico-Stad zijn geweest om een idee te hebben van de totale waanzin ervan. Zonder behoefte aan planologische structuur verrijzen voortdurend nieuwe woonwijken naast shopping malls en bedrijventerreinen, gelardeerd met vleugjes sloppenwijk. Wie de bus neemt van de periferie van het centrum, krijgt alle tijd om een dik boek uit te lezen. Mexico-Stad is een hel. Maar het is ook een bruisende plek waar de hele wereld samenkomt. Beide kanten zijn te zien op de tentoonstelling Mexico: expected/unexpected.

Tussen de bijna vijftig exposanten zitten bekende namen als Hélio Oiticica en Ana Mendieta, maar het valt op dat bijna de helft uit de VS of Europa komt. Al jaren is Mexico een magneet voor internationale kunst, aanvankelijk vooral de VS. Fotografen staken de grens over om het stoffige Mexico in sfeerbeelden vast te leggen. In de jaren zestig deed schilder Ed Ruscha net zoiets weemoedigs toen hij Mexicaanse tankstations ging schilderen, omringd door een weids niets. Ze zien eruit alsof nooit iemand daar kwam tanken.

Maar dat soort dromerige kunst ging voorbij. De hedendaagse generatie doet weinig moeite om de rauwe realiteit van het dagelijkse overleven te verbloemen. Melanie Smith maakte zwart-witte luchtfoto’s van stadswijken: eindeloze bebouwing tot aan de einder, de nachtmerrieachtige eenvormigheid van de metropool. Een kleurenrolletje was al te frivool. Pablo Vargas Lugo gebruikt wel kleur, maar dan om rafelige vlaggen te tekenen. Het lijken symbolen van internationaliteit en verval. Rivane Neuenschwander maakte aan de keukentafel geometrische maquettes van radijsjes en suikerklontjes. Ze herhalen de Niemeyerachtige betonkolossen die je ook in Mexicaanse steden ziet. Het is een soort poëzie, het radijsje en plakje worst als therapeutisch middel om met die anonieme stedelijkheid om te gaan.

Mexicaanse kunst lijkt streng en sober. Zelfs de zaal natuurbeelden bevat enkel modderig uitziende foto’s en het enige vogeltje, op een video van Fernando Ortega, is volgens het bijschrift in trance gebracht. Het zit op een takje ijzig voor zich uit te staren. Vermoedelijk weerspiegelt deze zakelijkheid ook de smaak van de samenstellers, het verzamelaarsechtpaar Isabel en Agustín Coppel. Ze lijken te vallen op kunstenaars die een subtiele poëzie in het dagelijks leven zoeken. Zo draait er een film van de altijd geweldige Francis Alÿs, een Belg die al jaren in Mexico-Stad woont. Hij filmde een rij mensen die op het centrale Zócalo-plein ‘schuilt’ in de dunne schaduw van de vlag en meeschuifelt als de zon verschuift.

Het aardige van de expositie is dat het een paar generaties bijeen brengt waardoor een rode draad ontstaat. Alÿs staat niet gek ver af van Gordon Matta-Clark die in de jaren zeventig enorme ronde gaten liet zagen in afbraakpanden. Zeker in een stad waar nog wel eens iets maar half wordt afgebouwd of half gesloopt, zijn die panden naargeestig. Hij maakt er een kunstwerk van. Daarmee verwijst hij naar de geometrische kunst die ook een lange traditie in Mexico heeft en hij is tegelijk een voorvader van Alÿs, maar ook van street art en guerrillakunst zoals je dat over de hele wereld ziet pieken in metropolen. Wie latinowarmte zoekt, zal het hier niet vinden.

Maar voor wie zich warm aankleedt en tegen wat kille schoonheid kan, is deze tentoonstelling een aanrader.

    • Sandra Smets