Levensgevaarlijk?

Anne Hermans is vrijwillig tropenarts in de jungle van Colombia. Tweewekelijkse serie.

‘Kijk, kijk”, schreeuwt Stompje. „Je ziet Nueva Esperanza al liggen!” We springen de boot uit en duwen hem het laatste stuk door het opgedroogde stroompje modder. Deze brigade is Stompje, de jongen die in ons benzinehok woont, met ons mee als extra mankracht. Met name omdat de gemeenschap die we deze keer met onze medische brigade bezoeken, ooit de zijne was.

Gisteravond op de veranda vertelde Stompje zijn levensverhaal. Toen hij jong was, had zijn gemeenschap koeien, varkens en akkers vol groente. Maar in 1997 werden ze – zoals zovelen – met geweld van hun land verdreven voor de aanleg van Palma-plantages. „Biobrandstof”, zei hij toen ik hem vragend aankeek. „Dat schijnt erg populair te zijn bij jullie in Europa.” Een wrange grijns trok even over zijn gezicht. De rest van de avond had hij gezwegen.

„De paramilitairen vermoordden zijn vrouw en kinderen”, fluisterde Patachuma, mijn indiaanse verpleegkundige, me later toe. „Deze jungle is één grote begraafplaats, Anna. De lijken dreven hier op de rivier. Van Stompjes gemeenschap is nog maar eenderde in leven. Van de mijne nog de helft. En de para’s struinen nog steeds ongestraft rond.”

„Doctora! Venga!” Een jongetje komt op ons afrennen. „Mijn vader is door een slang gebeten! Hij geeft over en begint raar te trillen. Benzine-injecties helpen niet!” Ik grijp de noodkoffer. Patachuma de antislangengif-ampullen. En tussen de gammele hutjes door rennen we achter de jongen aan. „Kijk uit!” roept Patachuma en net op tijd ontwijk ik een koe, die op de grond ligt te schokken.

In het achterste hutje ligt de man op de grond. Trekkingen aan zijn benen, afhangende wenkbrauwen, trillende tong. „Neurotoxisch gif. Vier ampullen suero anticoral”, roep ik naar Patachuma. Terwijl ik het infuus prik, maakt hij de wond schoon en jaagt de toegesnelde dorpelingen het hutje uit. „En onze koe?” protesteren ze, maar Patachuma schudt zijn hoofd. „Daar verspillen we ons antislangengif niet aan.”

Drie ampullen zitten er nu in. De ademhaling van de man hapert. „Adrenaline!” schreeuw ik tegen Patachuma, maar net als ik die wil toedienen, stopt het trillen. En de ademhaling normaliseert.

Voor het tot school bestempelde hutje staat de rest van de gemeenschap ondertussen al in de rij voor het ‘spreekuur’. Maar Dona Martha, de dorpsoudste, sleurt me van hen weg. Haar kleindochter van twaalf heeft al dagen weeën, maar de baby wil niet komen. Een infuus oxytocine helpt niet. We hijsen het meisje en haar oma in onze boot en beginnen gehaast aan de terugtocht. Vertwijfeld kijk ik nog eenmaal om naar de dorpelingen die teleurgesteld aan de waterkant staan. In drie maanden hebben ze dit dorpje – het zesde in tien jaar – opgebouwd. Er is tekort aan eten, water, mais, hout en groente. En hun enige koe is zojuist overleden aan zijn slangenbeet. „We komen snel terug!” schreeuwt Patachuma ten afscheid.

De keizersnede komt net op tijd. En als het meisje uitgeput met haar baby in het ziekenhuisbed ligt, zak ik verward neer op de veranda van het Dokters-van-de-wereld-huis.

Binnen zitten Stompje en Patachuma tevreden voor hun favoriete TV show „Quantos Colombianos…” Dona Martha zit tussen hen in. „Hoeveel Colombianen zouden hun borsten laten vergroten?” vraagt de presentator. „Zestig procent!” roept Patachuma. „Hoeveel lusten er gekookte banaan?” „Vijfennegentig”, zegt Dona Martha. „Hoeveel Colombianen zouden naar Israël op vakantie gaan, als ze er 200.000 pesos mee verdienden?” „Zero!” klinkt het driestemmig. „Veertig”, zegt de presentator. Het is even stil. Dan springt Stompje op. „Wat een onzin!” roept hij verontwaardigd. „Wie dóet dat in godsnaam? Het is daar levensgevaarlijk!”

    • Anne Hermans