Indisch onbegrip

Indische Nederlanders werden bij hun repatriëring verspreid over Nederland. In Den Haag woonden van oudsher veel Indischen. Gaandeweg kreeg de stad de bijnaam ‘de kampong van Nederland’.

Het Grotius-lyceum in Den Haag zou nu waarschijnlijk een zwarte school zijn genoemd. Mensen van ‘gemengde bloede’ zitten zowel onder scholieren als onder leraren. Iets van etnische verwantschap met hen heb ik nooit gevoeld. Op het schoolplein klitten kleurlingen ook niet samen.

Sommige blanke klasgenootjes zien ‘ons’ wel als vreemden. Een keer vraagt een jongetje of ik aan een schelp wil ruiken, een soort alikruikje, maar dan wat groter uitgevallen. Ik snuif en maak een grimas van walging. Nog nooit heb ik zoiets intens smerigs geroken. De klasgenoot ruikt ook en vertrekt zijn gezicht. „Vreemd”, zegt hij, „mijn vader zegt altijd: ‘Indische mensen vinden alles lekker wat stinkt’.” We zijn het er over eens dat volwassenen niet altijd gelijk hebben.

Staan volwassenen in het algemeen en leraren in het bijzonder ver van ons af, de leraar Nederlands, meneer Terhorst, niet. Hij is populair met zijn onnavolgbare impersonificaties en krijgt iedere klas aan het lachen. Hij is blank, maar komt uit Indië. Leeftijdsgenoten kunnen ook ver van je af staan, meisjes bijvoorbeeld. Sommige meisjes meer dan andere. Ik heb niks met Astrid. Astrid heeft een bol gezicht, platte neus en dikke lippen.

„Astrid en Hans, wat valt op in de zinnen die ik net heb opgelezen?” vraagt Terhorst. Ik heb nog steeds nachtmerries over de middelbare school. Beurten waarop ik niet ben voorbereid, huiswerk dat ik niet heb gedaan, een onaangekondigde repetitie.

Wat heeft Terhorst net voorgelezen? Daarin is toch niets bijzonders te horen? De klas kijkt naar ons. Astrid bloost, ik voel een leegte van onkunde, onder mijn borstbeen, steeds groter worden.

„Jammer”, zegt Terhorst. „Ik dacht dat jullie het wel zou zijn opgevallen.” Hij herhaalt het fragment en weer valt me niets op.

„Aan het eind van iedere zin”, legt hij uit, „zegt de vrouw die aan het woord is ‘ja’. Daarmee geeft de schrijver aan dat de vrouw een Indische is.” De klas neemt het voor kennisgeving aan. Astrid en ik kijken even naar elkaar. De leegte in mij vult zich weer met kennis. Ja, natuurlijk ken ik tantes die om de haverklap ‘ja’ zeggen. Maar hoe weet je nu dat dat ‘anders’ is?

    • Hans Moll