76 politiekogels op een strand

De Staat moet aantonen dat politiekogels noodzakelijk waren bij de strandrellen.

Zo’n optreden heeft zich in 60 jaar niet voorgedaan

Het kabinet toonde zich vrijdag bij monde van vicepremier Bos „geschokt” over mijn opmerking dat de politie excessieve maatregelen heeft genomen bij de confrontatie met hooligans bij het strandfeest in augustus te Hoek van Holland. Ik maakte deze opmerking in het kader van de Max van der Stoellezing bij de Universiteit Tilburg. Daarin verdedigde ik aan de hand van een aantal voorbeelden de stelling dat de mensenrechten in Nederland te vaak buiten beeld blijven. Ik heb mijn verbazing erover uitgesproken dat tot dan toe de mensenrechten in verband met de evaluatie van het gebeuren in Hoek van Holland niet aan de orde zijn gekomen en dat te vaak schending van mensenrechten als een ‘managementprobleem’ gezien wordt: slechte planning, organisatie en gebrek aan communicatie. Nagelaten wordt om de mensenrechtenimplicaties te wegen.

Volgens het kabinet had ik als Nationale Ombudsman mijn mond moeten houden, omdat het OM geconstateerd heeft dat de agenten uit noodweer handelden. Het Crisis Onderzoek Team (COT) heeft vervolgens geconstateerd dat het misging met planning, communicatie en de afweging van het al dan niet inzetten van de ME.

Het was dus noodweer van de betrokken agenten en mismanagement bij de politie. Wat is de betekenis van de mensenrechten in deze situatie en in het bijzonder het recht op leven en het recht op integriteit van het lichaam? Het politieoptreden waarbij 21 agenten 76 schoten afvuurden, waarbij zes gewonden vielen en één dode, noem ik excessief in die zin dat zich de afgelopen 50, 60 jaar zo’n situatie niet heeft voorgedaan. Prof. Y. Buruma is eerder in het Nederlands Juristenblad tot soortgelijke conclusies gekomen.

Uit de feiten van het onderzoek blijkt dat de 160 agenten de controle over de situatie hadden verloren. De politie kon zich alleen schietend op het publiek (waaronder zich in de frontlinie hoofdzakelijk hooligans zouden hebben bevonden) een uitweg banen uit de chaos. Is dit professioneel optreden? Onderzoeker Otto Adang van de Politieacademie liet onlangs in de studie Boven de pet? zien dat de inzet van de ME of arrestatieteams veelal tot effectieve beperking van geweld leidt, terwijl het juist de gewone, niet speciaal toegeruste agenten zijn die in excessieve geweldssituaties terechtkomen.

‘Hoek van Holland’ vormt in de lijn van deze studie een voorbeeld van een situatie waarin vanwege het ontbreken van de ME de vraag aan de orde is of de ‘gewone politieagenten’ in een betreurenswaardige en voor hun onveilige positie tegenover gewelddadige hooligans kwamen te staan. Het gaat daarom niet alleen om het gedrag van de individuele agenten op het strand en in de duinen, maar om de vraag naar de verantwoordelijkheid van de overheid als zodanig voor een situatie waarin individuele agenten in een situatie zijn gebracht waarin zij schoten hebben gelost.

Het OM vervolgt deze agenten niet omdat het schieten noodweer zou zijn. Eventueel zal de rechter via een klacht over niet-vervolging een oordeel geven over de noodzaak van al dan niet vervolging. Daarom laat ik dit punt liggen.

Wat levert een toetsing aan het recht op leven en integriteit van het menselijk lichaam voor vragen op? Daarbij stel ik voorop dat het recht op leven op ‘iedereen’ slaat, dus zowel op de betrokken agenten, op het strandpubliek in Hoek van Holland, als ook op de hooligans. Immers, er hadden ook politieagenten het slachtoffer kunnen worden en bij paniek had een breder publiek door verdwaalde kogels of verdrukking in de massa risico’s kunnen lopen. Onderzoek moet nog uitwijzen of alle slachtoffers ook hooligans waren.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens keert de bewijslast om bij iedereen die door een politiekogel de dood vindt: de Staat moet op eigen initiatief door onafhankelijk onderzoek aantonen dat het handelen „absoluut noodzakelijk” was om de mensenrechten te beschermen. Daarbij gaat het om een onderzoek naar wetgeving en beleid, om de voorbereiding, planning en organisatie en uiteindelijk de uitvoering van de operatie zelf.

In de zaak-McCann uit 1988, waarbij drie IRA-terroristen door een speciale Britse legereenheid bij hun arrestatie in Gibraltar doorzeefd werden met kogels, oordeelde het hof dat de militairen op basis van de informatie die zij hadden (de terroristen zouden wapens op zich dragen) bij de arrestatie rechtmatig mochten schieten, zelfs met de dood tot gevolg. Vervolgens oordeelde het hof echter wel dat het Verenigd Koninkrijk artikel 2 van het verdrag – met daarin het recht op leven – had geschonden, omdat het onder meer ontbroken had aan goede planning en communicatie: de arrestanten bleken ongewapend. Kort gezegd: individuele militairen konden een beroep doen op noodweer, maar de Staat kon dat niet.

Deze standaardrechtspraak van Straatsburg leidt tot de vraag of de gebreken die het COT in planning, communicatie en organisatie bij de Rotterdamse politie heeft geconstateerd, betekenen dat de Nederlandse Staat in het licht van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens het recht op leven heeft geschonden.

Mijn stelling bij de Max van der Stoellezing luidde dat wij in Nederland de mensenrechtenvragen te vaak niet stellen en dat politici vaak afwijzend reageren wanneer deze vragen op de agenda geplaatst worden. Vaak wordt dan op de boodschapper geschoten. Dat vind ik jammer. Nederland stelt vaak in het buitenland de mensenrechten aan de orde. Daarom moet een discussie over mensenrechten een normale zaak zijn in het publieke debat over belangrijke kwesties.

Alex Brenninkmeijer is de Nationale Ombudsman.

    • Alex Brenninkmeijer