Verslaafd geraakt aan hulp

De winst van de vrede valt het volk van Zuid-Soedan. zwaar tegen. De eigen leiders, de buitenlandse donoren, de hulpverleners, iedereen faalt.

Elizabeth doet boodschappen op de markt van Juba. „Twee euro voor die paar rotbananen”, jammert ze. „Belachelijk.” De vrouw in het markstalletje haalt haar schouders op: „Aan die absurd hoge prijzen kan ik niets doen. Alles komt uit het buitenland.”

Als Zuid-Soedan bij een referendum in 2011 voor onafhankelijkheid stemt, wordt het één van de allerarmste landen ter wereld. Behalve olie produceert het niets. Er is geen staatsapparaat, de bevolking heeft sinds de aanvang van de oorlog tegen het noorden in 1983 vrijwel geen onderwijs gekend en leeft, zoals een hulpverlener het uitdrukt „nog in de Middeleeuwen”.

Gedemoraliseerde buitenlandse hulpverleners in de hoofdstad Juba tonen lijsten met schokkende statistieken. Rond de 90 procent van de Zuid-Soedanezen is analfabeet, 97 procent heeft geen wc, één op de zeven vrouwen sterft tijdens de bevalling. Een kind van vijftien jaar heeft meer kans dat ze zwanger wordt en tijdens de bevalling sterft, dan dat ze naar school gaat. Er gaan drie keer zoveel kinderen naar school als enkele jaren terug, maar er is slechts één docent voor duizend leerlingen.

Hoe bouw je in die armoede op een zinderende savanne een staat op? Welke rol spelen buitenlandse donoren en een onervaren regering? Vijf jaar na de beëindiging van de oorlog zoekt iedereen naar antwoorden. Maar dat er nog weinig is bereikt, is duidelijk. En de kritiek groeit. „Buitenlandse donoren hebben in vijf jaar vrede hier weinig kunnen veranderen, we hebben gefaald in Zuid-Soedan”, beaamt het hoofd van een VN-organisatie.

Geld is niet de panacee. Donorlanden zegden in 2005 4,5 miljard dollar hulp toe en de autonome Zuid-Soedanese regering ontving de afgelopen vijf jaar ruim zeven miljard dollar aan inkomsten uit olie. Professor Barri Wanji is voorzitter van de Commisie voor Economische en Financiële zaken van het parlement in Juba. „Geldgebrek is het probleem niet. Dat kan het excuus niet zijn. Onze regering heeft gefaald. Ze heeft foute economische prioriteiten gesteld”, stelt hij vast. „Het is beschamend hoe weinig er is gepresteerd.”

De euforie over de vrede is al bijna vervlogen, de bevolking is teleurgesteld over het beperkte vredesdividend. Juba was nooit veel meer dan een verzameling modderwoningen met strodaken omringd door een handjevol gebouwen van cement voor de overheid en Noord-Soedanese handelaren. De nieuwe bestuurders van de voormalige verzetsbeweging, het SPLA, hebben de ministeries opgeknapt en buitenlandse hulpverleners vestigden zich in gekoelde containers. De meeste Noord-Soedanese handelaren pakten hun biezen, hun plaats is ingenomen door een vloed van Kenianen, Oegandezen en Ethiopiërs. Er ontstond een zeepbeleconomie die draait op uitgaven van 130 buitenlandse hulporganisaties. En er heerst een wild soort kapitalisme met buitenlandse investeerders die inferieur werk afleveren.

Oliedollars houden dit alles kunstmatig in leven. De overgrote meerderheid van de Zuid-Soedanezen heeft het nakijken, met voor sommigen een baantje als chauffeur bij een hulporganisatie, een karweitje als zandschepper in een wegenproject of een functie in een ministerie dankzij een familierelatie.

Op het platteland gaat het leven door alsof er sinds de zware oorlogsjaren niets is veranderd. In het dorpje Ibba, een paar honderd kilometer ten zuiden van Juba, ruilen keuterboeren maïs voor zout, gierst voor zeep. De hoge mangobomen leggen een genoeglijke schaduw over de hete aarde. „Tijdens de oogsttijd stikken we door de stank van rottende mango’s,” zegt de boer Paulino, „niemand komt ze kopen”. In de oorlog was Ibba afgesloten, maar nu is er weer een weg door het woud gehakt. Die weg wordt bereden door vrachtwagens uit Oeganda die hun waren naar Juba brengen. Maar in Ibba stoppen ze niet. In Juba drinken de rijken duur mangosap geproduceerd in Oeganda.

Zuid-Soedan is befaamd om zijn herdersvolkeren en majestueuze koeien. Maar in Juba importeert een Keniaan al het vlees, „want er is hier geen slachthuis”. Zoals ook alle vis wordt ingevoerd, hoewel de Nijl er vol mee zit. „We hadden de nadruk moeten leggen op de opbouw van een eigen productieapparaat”, zegt professor Wanji in het parlementsgebouw. „We hadden ons moeten concentreren op de aanleg van infrastructuur, opdat boeren hun gewassen naar de markt kunnen brengen. We hadden experts van buiten moeten aantrekken voor de ontwikkeling van industrie. We hebben ons onvoldoende gericht op sectoren die economische groei stimuleren.”

Tot aan de eens verafgelegen Berg van de Heksen is de savanne bezaaid met nieuwe gebouwtjes. Juba is een boomtown, in de zin dat het een chaos is. De stad oogt nog steeds als een smerig gat, met bruin water uit de kraan, ongezuiverd uit de Nijl. Regenwater voert de bergen afval naar de rivier, een vuilophaaldienst bestaat niet. Aggregaten ronken bij de ministeries, de hotels en de hulporganisaties en bij de paar sjieke huizen. De rest van de stad is na zonsondergang gehuld in duisternis. Maar de stofwolken zijn opgetrokken: Juba telt voor het eerst enkele asfaltwegen. Wild zwaaiende politieagenten regelen het verkeer op de kruispunten waar de dure terreinwagens van ambtenaren en hulpverleners zich verdringen.

Een minister wijst bij de luchthaven naar betonnen pilaren. Onafgemaakte bouwwerken. Ze tonen de invloed van de concurrerende buitenlandse maffia’s en hun plaatselijke handlangers. „De bouw voor een nieuwe vertrekhal ligt al maanden stil. We zijn belazerd, de buitenlandse ondernemer ging er met het geld vandoor,” zegt hij. Een Chinees bedrijf stampte twee jaar geleden binnen zes maanden een plastic paleis uit de grond, een hotel met de geluidsdichtheid van karton. De termieten vreten al de deurposten aan, de badkamers verzakken en zand dringt door de dunne vloer naar boven.

Zuid-Soedan trekt cowboykapitalisten aan. „Ze doen kortetermijninvesteringen die zich snel terugbetalen”, vertelt een econoom. „Alleen de bouw van een Zuid-Afrikaanse bierfabriek levert de Zuid-Soedanese economie iets op.” De wegenbouw ligt in handen van soms dubieuze buitenlandse bedrijven, zoals een Keniaanse onderneming die in Kenia zelf geen contracten meer van de overheid krijgt wegens haar ondermaatse kwaliteit. Buitenlanders kunnen in Zuid-Soedan snel rijk worden. Als ze gewillige ministers bereid vinden mee te werken. „Hoe kan het dat sommige collega’s van mij villa’s in Oeganda bouwen?” vraagt een minister zich af. „In onze dagen in de bush tijdens de guerrillastrijd executeerden we degenen die zich misdroegen. Waarom tolereren we het nu dan wel?”

Professor Wanji haalt een enveloppe met stoffige gierst uit zijn bureaulade. „Een hond zou dit nog niet eten”, briest hij. Het hoopje beschimmelde granen is onderdeel van tonnen voedsel die het ministerie van Financiën eerder dit jaar importeerde ten behoeve van een strategische voedselreserve. Het overgrote deel „raakte zoek”, het andere deel was van slechte kwaliteit. Maar er werd wel door ambtenaren aan leveranciers uitbetaald. De regering verloor door het corruptieschandaal ten minste 200 miljoen dollar. „Ministers zijn betrokken bij dit schandaal”, vertelt hij. „Onze leiders hebben geen schone handen, ze geven het slechte voorbeeld aan lagere ambtenaren.”

Corruptie tastte ook de rudimentaire banksector aan. De regering redde onlangs de Nile Bank, die ten onder dreigde te gaan wegens niet-afgeloste leningen. De leningen waren vooral verstrekt aan regeringsfunctionarissen. Al twee ministers van Financiën moesten opstappen wegens vermeende diefstal, maar geen enkele regeringsfunctionaris werd aangeklaagd.

John Luk is minister van Energie en Mijnbouw. Hij vraagt om begrip. „We hadden geen enkele ervaring toen we uit de bush kwamen”, zegt hij. „Het draait allemaal om het gebrek aan management. Het is een leerproces.” Tot vorig jaar huisde zijn ministerie in een soort schuur. „Er vallen zoveel dingen tegelijk te doen, we komen handen tekort.”

Het verleden wreekt zich op de bestuurders van de voormalige verzetsbeweging. Tijdens de oorlog was het SPLA vrijwel alleen bezig met vechten, gebieden werden op het Noord-Soedanese leger veroverd maar voor de bevolking zorgden de zuidelijke rebellen niet. Daar waren de buitenlandse hulporganisaties voor. Het SPLA richtte nauwelijks bestuursstructuren op, er waren geen scholen en geen burgerorganisaties. Het lot van de bevolking lag in handen van de hulpverleners, die voor miljarden dollars voedselhulp leverden. Het SPLA leerde niet te besturen, het ontbrak de opstandelingen aan een strategie voor economische ontwikkeling. „We zijn verslaafd geraakt aan hulp, we zijn niet meer gewend het zelf te doen”, merkt SPLA-parlementslid Henry Omai Akolawin op.

Ook de donoren treft blaam. Bij de twee grootste organisaties, de VN en de Wereldbank, werkte tot voor kort geen enkele econoom. De donorlanden richtten een Multi Donor Trust Fund op in 2005 voor „de wederopbouw”. „Tot de VN er twee jaar later achter kwamen dat er niets viel her op te bouwen”, vertelt de diplomaat. Want Zuid-Soedan moet vanaf de eerste steen worden opgebouwd. Voor die taak blijkt geen donor of ontwikkelingsorganisatie uitgerust. „Hoe kan je een staat bouwen, dat is de uitdaging”, zegt het hoofd van een VN-organisatie, „en die taak heeft geen supermacht of ontwikkelingsorganisatie waar dan ook ter wereld ooit met succes uitgevoerd”.

De bureaucratie van de donoren werkt verlammend. Een buitenlandse organisatie verstrekte tijdens de oorlog in SPLA-gebieden noodhulp en probeerde na de vrede haar medische faciliteiten aan de overheid over te dragen met geld van de donoren. „Dat lukte niet”, vertelt het hoofd van de organisatie. „Het neemt achttien maanden in beslag om goedkeuring te krijgen van het gemeenschappelijke donorfonds. Donorgeld stroomt ongelooflijk langzaam”. Professor Barri Wanji haalt zijn neus op over de donoren. „Welk donorgeld? Van alle beloofde hulp hebben we nog vrijwel niets gezien.” En een diplomaat beaamt: „Ook wij zijn teleurgesteld over de trage distributie van de donorgelden”.

De Zuid-Soedanese overheid begon zich er vorig jaar ernstig zorgen over te maken dat de winst van de vrede zo mager uitvalt, uit vrees het krediet onder de bevolking te verliezen. Er werd een noodoplossing gevonden. In samenwerking met de donoren werd het Soedanese Heropbouwfonds opgericht, om snel kleine projecten op het platteland te kunnen uitvoeren. Zonder vertraging door de bureaucratie van vooral de Wereldbank, die het gemeenschappelijke donorfonds voor Zuid-Soedan beheert.

Het een wedloop tegen de tijd geworden. Want ook op politiek terrein stapelen de problemen zich op. Volgend jaar moeten er verkiezingen in heel Soedan worden gehouden, gevolgd door het referendum over onafhankelijkheid in 2011. Buurlanden tonen zich ernstig bezorgd over de politieke en economische impasse in Zuid-Soedan. Ze overwegen zeshonderd ambtenaren te sturen om de Zuid-Soedanese ministeries te bemannen.

Tot overmaat van ramp zijn onderlinge conflicten tussen tribale groepen in het zuiden uitgebroken. Conflicten en droogte leidden samen tot honger en honderdduizenden ontheemden, en dat allemaal op een even grote schaal als tijdens de oorlog destijds tegen het noorden, die in januari 2005 met een vredesverdrag afliep. Hulpverleners staan opnieuw in de startblokken voor een grote noodoperatie. Die ingreep zal moeilijk worden, maar stukken gemakkelijker dan een staat en een economie uit de grond stampen.

    • Koert Lindijer