Studeren wordt nu nóg studeerbaarder

De trage student wordt door het financieringsvoorstel van Plasterk niet getroffen.

Maar de opleidingen zullen hun eisen aanpassen aan de meest luie studenten.

‘Plasterk pakt trage student aan.’ Zo werd het nieuwe financieringssysteem voor de universiteiten, dat de minister onlangs aankondigde, in de landelijke pers geïnterpreteerd, ook in nrc.next van 9 december.

De financiering wordt in dat systeem voor het grootste deel (60 procent) afgestemd op het aantal studenten dat voor een studie staat ingeschreven. Maar per student wordt slechts betaald tot een maximum van het aantal jaren dat er nominaal voor een studie staat: drie jaar voor een bacheloropleiding, een of twee jaar voor een master.

De universiteiten zouden op deze manier een financiële prikkel krijgen om ervoor te zorgen dat de studenten inderdaad niet langer dan die voorgeschreven tijd over hun studie doen. De meeste studenten zijn daar niet blij mee.

Maar zou het helpen? Zo’n financieringssysteem legt de doelbewust trage student geen strobreed in de weg. Als een student zes jaar over zijn studie doet door elk jaar slechts de helft van het normale aantal colleges te lopen, volgt hij per saldo drie jaren onderwijs, en zijn universiteit krijgt die drie jaren volledig vergoed. De universiteit krijgt zelfs een rentevoordeel, doordat de vergoeding vooruitloopt op de besteding van het geld. Voor de universiteiten bestaat geen enkele prikkel om zulke studenten tot meer spoed aan te sporen, integendeel.

Maar stel dat een student studievertraging oploopt doordat hij wel studieonderdelen volgt, maar niet meteen voor zijn tentamens slaagt. Hij zal dan extra onderwijs moeten ontvangen, en zijn universiteit zal daar geen extra geld voor krijgen. Alleen als hij uiteindelijk alsnog afstudeert, ontvangt de universiteit nog een klein bedrag. Een opleiding heeft er dus alle belang bij om de student te helpen de eerste keer al aan de eisen te voldoen. Kennelijk is dat Plasterks bedoeling: de opleidingen ertoe bewegen zoveel aandacht te besteden aan een zorgvuldige opbouw van het studieprogramma en aan studiebegeleiding dat studenten niet zakken.

Misschien is het de minister ontgaan, maar Nederlandse universitaire opleidingen hebben daar de afgelopen jaren al heel veel aan gedaan. Ze steken in dat opzicht gunstig af bij universiteiten in de omringende landen. Onderwijskundigen hebben vastgesteld dat de middelen die opleidingen hebben om, bij gelijkblijvende normen, de studieresultaten te beïnvloeden beperkt zijn. En die middelen worden voor het grootste deel inmiddels gebruikt. Er blijft dan nog maar één manier over om te voorkomen dat studenten zakken: door lagere eisen te stellen.

Daarmee brengt Plasterk een stroomversnelling in een proces dat al meer dan een kwart eeuw gaande is. Eind jaren zeventig begonnen zijn voorgangers de universiteiten te financieren op basis van studieresultaten: succesvol afgesloten cursussen of behaalde diploma’s.

Dat leidde niet meteen tot een drastische verlaging van het niveau – daarvoor zijn Nederlandse docenten blijkbaar te integer of te slecht geïnformeerd. Maar over tientallen jaren heen is die verlaging wel degelijk zichtbaar geworden. Wat vooral opvalt is dat de studielast van Nederlandse studenten aangepast is aan het aantal uren dat zij feitelijk per week voor de studie beschikbaar hebben, ongeveer 27 uur. De verlaagde studielast wordt bij vergelijking met omringende landen onmiddellijk duidelijk – en het valt iedere student op die vanuit het buitenland in Nederland komt studeren.

Elke opleiding wordt elke zes jaar beoordeeld. Een van de criteria daarbij is ‘studeerbaarheid’. Om te bewijzen dat het programma studeerbaar is, plegen opleidingen zich op cursusevaluaties door studenten te beroepen. Een programma is dus studeerbaar als studenten aangeven dat het voor hen mogelijk is aan de eisen te voldoen in de tijd die zij zelf vinden daaraan te moeten besteden. Daaruit blijkt dat de opleidingen afhankelijk zijn van wat studenten op dat punt redelijk vinden, en dat zal niet ver uitgaan boven die 27 uren die zij in feite beschikbaar hebben.

Het mechanisme is op alle domeinen van overheidsbeleid bekend, er is een hele bibliotheek over vol geschreven, maar beleidsmakers schijnen het nog steeds maar half te snappen. Als je de politie afrekent op het aantal opgeloste misdrijven, worden aangiften terzijde gelegd waarbij het voorspelbaar moeilijk is om de dader op te sporen. Als je ziekenhuizen afrekent op sterftecijfers, zullen operaties met een hoog sterfterisico niet langer gedaan worden. Als je universiteiten afrekent op het aantal diploma’s dat zij uitreiken, zullen zij het studenten makkelijker maken om een diploma te halen. Dat perverse effect is blijkbaar precies de reden waarom Plasterk de rol die het aantal afgegeven diploma’s speelt, in de financiering wil terugdringen. Maar hij ziet blijkbaar niet in dat zijn nieuwe systeem een vergelijkbaar effect zal hebben.

Het systeem zal studenten er niet toe motiveren om hun studietempo af te stemmen op de norm, maar geeft wel versterkte prikkels aan de universitaire opleidingen om hun eisen af te stemmen op het feitelijke studeergedrag van studenten. Waar Plasterk de opleidingen toe uitnodigt is niet alleen om zich aan te passen aan de normale student, maar aan de luiste student van Nederland.

Govert den Hartogh is emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Govert den Hartogh