Oorlog blijft een regeringszaak

Wie beslist over uitzenden van Nederlandse militairen naar oorlogsgebieden? De Tweede Kamer besloot gisteren om dat recht aan het kabinet over te laten.

Ten oorlog! De Grondwet is er duidelijk over. Artikel 96, eerste lid zegt: „Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten Generaal”. Eerste en Tweede Kamer komen in dat geval gezamenlijk, in een Verenigde Vergadering bijeen. Het is het parlement op zijn parlementst. Maar in de moderne geschiedenis is het nog nooit voorgekomen.

Minder duidelijk is de positie van de volksvertegenwoordiging als het gaat om het uitzenden van militairen zonder dat sprake is van een oorlogsverklaring, zoals bijvoorbeeld de huidige missie in Uruzgan. Dan geldt artikel 100 van de Grondwet. Dat zegt slechts dat de regering in dergelijke gevallen het parlement tevoren inlichtingen verstrekt. Maar geen woord over toestemming.

„We hebben ons controlerecht ingeruild voor een informatierecht. Dat kan leiden tot rare situaties”, aldus Kamerlid Han ten Broeke (VVD) gisteren tijdens overleg over de bevoegdheden van het parlement bij het uitzenden van militairen.

De Kamer moet het doen met de gegroeide praktijk. Die zegt dat een regering niet tot het uitzenden van Nederlandse militairen overgaat zonder instemming van een meerderheid van het parlement. Voor de Tweede Kamer had dit vijf jaar geleden toch iets ongemakkelijks. Daar wilde men niet nog eens het verwijt krijgen een oorlog in te zijn „gerommeld”. Dat was in 1991 volgens velen het geval, toen Nederland een militair zeer bescheiden bijdrage leverde ten tijde van de Golfoorlog.

De vraag bij wie de eindbeslissing ligt, werd in 2004 extra urgent nadat zowel de NAVO als de Europese Unie had besloten tot oprichting van snelle interventiemachten. Het gaat hierbij om een contingent parate militairen dat de lidstaten per toerbeurt beschikbaar dienen te stellen om bij calamiteiten direct uit te kunnen zenden.

Komt het nationale parlement er dan nog wel aan te pas, vroeg de Kamer zich af. Een breed samengestelde werkgroep onder leiding van Kamerlid Hans van Baalen (VVD) kwam tot de conclusie dat de gegroeide politieke praktijk, waarbij de Kamer een feitelijk instemmingsrecht had, „formeel” moest worden vastgelegd. „Een besluit van de regering tot inzet van de Nederlandse krijgsmacht buiten de landsgrenzen heeft dermate zwaarwichtige consequenties dat geen onduidelijkheid mag bestaan over de bevoegdheden en de hierbij behorende verantwoordelijkheden van de Tweede Kamer bij de besluitvorming terzake”, oordeelde de werkgroep.

Het kabinet stelt hier een ander principe tegenover. Er wordt bestuurd volgens het adagium „de regering regeert, het parlement controleert”. Mocht een meerderheid van de Kamer het niet eens zijn met een besluit, dan kan zij het kabinet ter verantwoording roepen. Zoals minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) gisteren tijdens overleg met de Tweede Kamer over de nota van de werkgroep zei: „Als de Kamer het er niet mee eens is, stuurt zij mij naar huis. Zo eenvoudig is het.”

Een vergeleken met vijf jaar geleden flink van personele samenstelling gewisselde Kamer (geen van de vijf leden die in 2004 de werkgroep vormden heeft nog zitting in het parlement) stond gisteren voor de vraag of genoegen genomen moest worden met de gegroeide, ruimhartige praktijk, of met een wijziging van de Grondwet waarin het toestemmingsrecht zou worden vastgelegd. Van de zijde van het kabinet werd van alle kanten benadrukt dat als het maar even kon, de Kamer vooral zou worden ingelicht. Ook als het ging om operaties van de EU dan wel de NAVO.

De regeringsfracties CDA, PvdA en ChristenUnie bleken gevoelig voor het argument dat het vastleggen in de Grondwet tot minder invloed kan leiden. Want waar de regering bijvoorbeeld nu nog zoekt naar een zo groot mogelijke meerderheid om troepen uit te zenden, zou bij een grondwettelijke regeling de helft plus één genoeg zijn. Instemmingsrecht betekent bovendien het meedragen van de volle verantwoordelijkheid. Dat zou ten koste kunnen gaan van de controlerende taak van de Kamer.

Toch maar niet, oordeelde een Kamermeerderheid. Zodoende blijft alles bij het oude. Eerstvolgende testcase: Uruzgan.

    • Mark Kranenburg