Mannelijk puberbrein kan makkelijk ontsporen

Jongeren die jongeren doden of opsluiten met de dood tot gevolg, zoals de 16-jarige Tano Jansen overkwam. Hoe komen jongeren tot zulke daden?

De 19-jarige Wesley T. uit Apeldoorn ligt elke nacht wakker van de dood van de 16-jarige Tano Jansen. „En elke ochtend word ik chagrijnig wakker”, zei hij tijdens een van de voorbereidende rechtszittingen in Zutphen.

T. zit, net als drie andere jeugdige verdachten, al een half jaar in de gevangenis voor zijn betrokkenheid bij de dood van Jansen, ook een inwoner van Apeldoorn. Het viertal zou de slechthorende jongen hebben opgesloten in een zeecontainer op industrieterrein De Ecofactorij in Apeldoorn. Twee dagen later werd hij daar dood gevonden, gestikt door de rook van een vuurtje dat hij vermoedelijk zelf had gemaakt. Morgen dient de rechtszaak tegen de vier jongens en een minderjarig meisje.

Het is niet de eerste keer dat jongeren terechtstaan voor een ernstig misdrijf. Ook bij de aanslag op docent Hans van Wieren van het Terra College in Den Haag (2004) was sprake van een jonge dader. Murat D. was toen 16 jaar. Voor de moord op de 16-jarige Nijmeegse Maja Bradaric in 2003, die verbrand werd teruggevonden bij Bemmel, bleken vrienden (twee van 18 en een van 16 jaar) verantwoordelijk. Een groep jongens schopte in 2003 de 43-jarige Amsterdamse Anja Joos dood. En nog maar een paar weken geleden werd een 15-jarige jongen uit Urk aangehouden voor het doodsteken van de 14-jarige Dirk Post.

Hoe komen jongeren, al dan niet in groepsverband, tot zulke gruwelijke daden?

Het zijn meestal jongens, constateert bijzonder hoogleraar jeugdrechtspleging en pedagoog Ido Weijers, verbonden aan de Universiteit Utrecht. „Ernstige delicten worden zelden of nooit begaan door meisjes. Als dat al het geval is, komt dat vaak voort uit dramatische feiten.”

De hersenen van jongeren, zeker van jongens, zijn in de overgang van adolescentie naar vroege volwassenheid nog volop in ontwikkeling, is gebleken uit onderzoek. Weijers: „Jongeren in deze levensfase hebben vaak een gering vermogen impulsen te bedwingen, kijk maar naar hun drink- en rijgedrag. Die impulsen gaan gepaard met onderschatting van risico’s en overschatting van het eigen kunnen, mede voortkomend uit gebrek aan ervaring. Er zit nog geen duidelijke rem op emotioneel gedrag.”

Jongeren in die leeftijd zijn ook gemakkelijk te beïnvloeden, met name door ervaringen in de directe sociale omgeving. Ze zijn gevoelig voor groepsdruk, van vrienden, van leeftijdsgenoten of van de jongeren bij wie ze het gevoel hebben thuis te horen. Het hebben van „delinquente” vrienden wordt als een van de meest betrouwbare voorspellers van crimineel gedrag beschouwd, schrijft Weijers in zijn boek Jeugdige dader, volwassen straf? uit 2006.

Jeugdofficier van justitie Carlo Dronkers in Almelo en kinderrechter en hoogleraar familie- en jeugdrecht Paul Vlaardingerbroek (Universiteit van Tilburg) herkennen die „onevenwichtigheid” bij veel verdachte jeugd. De jongeren zijn volop bezig met de ontwikkeling van hun besef van normen en waarden, stellen zij.

Dronkers, lid van de landelijke commissie Jeugd van het Openbaar Ministerie: „Wat mij opvalt in de zaken die ik in mijn loopbaan heb meegemaakt, is hoe dun de lijn soms is tussen het wel of niet betrokken raken bij een misdrijf.” Hij noemt als voorbeeld jongeren die een steen van een viaduct gooien. Als niemand wordt geraakt, is er niets aan de hand, hooguit dat een voorbijganger er iets van zegt. Maar dezelfde handeling kan ook dramatische gevolgen hebben, met alle consequenties voor de daders van dien. Of neem een jongere die een ander een klap verkoopt, met dodelijke afloop. „Degene die de klap gaf, heeft waarschijnlijk niet de bedoeling gehad die ander dood te slaan. Over het algemeen staan deze jongeren niet stil bij de gevolgen van hun handelen. Ze overzien de consequenties niet.”

Vlaardingerbroek constateert dat jongeren die ernstige misdrijven begaan, vaak uit „slecht functionerende” gezinnen komen. „Ze hebben een onvolledig gezin of een ernstig zieke ouder, waardoor ze aandacht tekortkomen of waardoor ze het gevoel hebben in de weg te lopen. Ook hun psychische gesteldheid en het sociale milieu waarin ze opgroeien spelen een rol; welke normen en waarden gelden in hun wijk en op hun school?”

Kinderen die niet door hun ouders worden „gecontroleerd” lopen een grotere kans tot een groep te gaan behoren die crimineel gedrag vertoont, stelt Vlaardingerbroek. „Wat mij betreft moeten ouders zich voortdurend afvragen waar hun kinderen mee bezig zijn en wie hun vrienden zijn. We moeten onze kinderen beter in het oog houden.

„Een consultatiebureau voor kinderen ouder dan vier jaar zou ik een goed idee vinden. De hulpverlening is nu te veel versnipperd, er is te weinig coördinatie. We zijn eigenlijk alleen maar bezig met het plakken van pleisters, ondanks alle inspanningen om de jeugdzorg te verbeteren.”

In het geval van de slapeloze Wesley die zich morgen voor de rechtbank moet verantwoorden, is het volgens hoogleraar Weijers van cruciaal belang of er sprake is geweest van opzet of van een uit de hand gelopen kwajongensstreek. „Het is heel goed denkbaar dat deze jongens zich over tien jaar, als ze echt volwassen zijn, voor het hoofd slaan: hoe hebben we dat ooit kunnen doen?”

    • Annette Toonen