Je lijkt op

Zeg nooit tegen iemand dat je vindt dat hij op iemand anders lijkt. Zelfs niet als je het goed bedoelt. De betrokkene zal verbouwereerd reageren. „Wie zeg je? Die? Daar had ik nou nooit aan gedacht.”

Vervolgens zal hij (of zij, vooral niet te vergeten) zich gepijnigd afvragen waaróm hij op die ander lijkt. Is het zijn houding, zijn spraak, zijn gezicht, of een combinatie ervan? Verdomme, het is niet te hopen. Eigenlijk had hij altijd een hekel aan die ander gehad, in het bijzonder aan diens tamelijk onaangename harses.

Gelukkig was hij een poosje daarvoor nog met totaal iemand anders vergeleken. Er lag troost in het besef dat al die vergelijkingen maar betrekkelijk waren.

Eén constante was er wel in de wereld van dergelijke vergelijkingen: je werd nooit vergeleken met de mensen op wie je zo graag zou lijken, die martiale sportheld bijvoorbeeld, die laconieke tv-persoonlijkheid of die adembenemende filmster.

Mensen zijn zelden tevreden met hun uiterlijk, dus zullen ze elke opmerking erover – zelfs een positieve – met de nodige argwaan ondergaan.

Het lot van de portretschilder lijkt me dan ook weinig benijdenswaardig. Commentaar leveren op iemands uiterlijk is zijn vak, het voltooide schilderij is een recensie die door iedereen in één oogopslag gelezen kan worden. Daar hang je dan. Met dat particuliere hoofd. Die neus – is die echt zo groot en scheef? Dat weke mondje. De chagrijnige blik. Bah. Had de kunstenaar soms een hekel aan hem gekregen?

Valt het portret te flatteus uit, dan lacht men de geportretteerde en zijn schilder uit: „Bespottelijk! Hij is het helemaal niet!”

Onlangs kocht ik in de ramsj een interessant boek: Americans, schilderijen en foto’s uit de National Portrait Gallery in Washington. Vooral de schilderijen van beroemde Amerikanen zijn vaak schitterend. Ze zijn dan ook meestal gemaakt door prominente portretschilders. Overdreven flatteus zijn ze niet, al is de geportretteerde wel op z’n voordeligst vastgelegd: de schrijver meditatief achter zijn tafel, de staatsman op het rode pluche, de actrice met haar dromerigste blik. Nooit is iemand met zijn ongewassen kop net uit zijn bed gekropen.

Er is in die hele portrettengalerij één grote uitzondering: het zelfportret (haar enige) van de schilderes Alice Neel (1900 – 1984). Zij is een bijzondere vrouw geweest. Een woelig privéleven, vooral in erotisch opzicht, en een aanvankelijk moeizame carrière als schilder. Dwars tegen de abstract-expressionistische mode in bleef zij figuratief schilderen. Zij kreeg er pas laat in haar leven erkenning voor; haar schilderijen zijn nu miljoenen waard.

Op Self-portrait uit 1980 heeft zij zich afgebeeld als de 80-jarige vrouw die zij dan is. Naakt en gebrild in een gestreepte stoel met een uitgezakte buik en hangende borsten.

Maar haar blik is nog waakzaam en in haar rechterhand heeft zij een penseel, alsof ze wil zeggen: ik ben er nog, als schilder.

Zij lijkt vooral op zichzelf, en ze durft ervoor uit te komen.