Het knokken is terug in Koerdisch gebied

Na het verbod op de Koerdische partij DTP is in Zuidoost-Turkije de democratie dood verklaard. De relschoppers en de PKK regeren weer.

Aan de trappen van het voormalige hoofdkantoor van de voormalige Koerdische partij DTP, sinds vrijdag verboden en verbannen uit het Turkse parlement, verkopen ze thee tegen de kou en citroenen tegen het traangas. „Hier lange, stop deze maar in je zak, die ga je nog nodig hebben vandaag”, zegt de jongen met snottebel, nauwelijks een kop groter dan zijn handkar vol fruit en dampende theepotten. Voor een glimlach geeft hij het laatste nieuws over oplaaiende rellen in de buitenwijken van deze voornamelijk Koerdische stad. „Als je echt iets wilt beleven moet je naar Baglar vandaag. Dat wordt geheid knokken.”

Het knokken is terug in Zuidoost-Turkije en dat vindt de straatjeugd in de straten van Diyarbakir lang niet erg. Het waren matte maanden sinds de Turkse premier Erdogan de Koerden hun gelijke rechten beloofde. Sinds hij in juli begon over „de Koerdische opening”, de erkenning van hun taal en cultuur, het einde van de 25 jaar durende oorlog, werd het stil op straat. Dat gebeurde op last van de nu verboden DTP (Koerdische Democratische Gemeenschapspartij), die niet degene wilde zijn die de glorende hoop voor de Koerden met protest zou smoren. In september nog stonden ze hier met tienduizenden met bloemen op straat, voor de „viering van broederschap” met de Turken. Er werd geen steen gegooid. Er viel geen onvertogen woord. De theejongen schudt afkeurend zijn hoofd. Hij had zich in jaren niet zo verveeld.

Die tijd van geloof in een ontluikende democratie voor de 15 miljoen Koerden, gemeend of gespeeld, is wel even voorbij sinds het Constitutionele Hof vrijdag de enige partij van de Koerden in het parlement een „gevaar voor de integriteit en eenheid van de staat” verklaarde en hun twee voormannen verbood de komende vijf jaar aan politiek deel te nemen. De naam van de partij werd resoluut van de voorgevel van het hoofdkantoor geschroefd, letter voor letter. Het woord Demokratik was als eerste verdwenen. „Zie hier de spiegel van de Turkse democratie”, wijst een van de apparatsjiks in de gangen van het kantoor op de stapel aluminium letters. „Ze zeggen toch dat ons nieuwe democratie te wachten staat, nieuwe mensenrechten? Nou hier ligt het dan allemaal.”

In Diyarbakir is de lust voor huichelarij verdwenen. Terwijl de 19 parlementsleden van de DTP terugkeren vanuit Ankara om hun ontslag aan de achterban bekend te maken, worden ze onthaald door een meute die slechts drie initialen lijkt te kennen: „PKK”, scanderen ze. Ook al was de vermeende band met de militante afscheidingsbeweging de reden voor het Constitutionele Hof om de DTP te sluiten omdat de partij daarmee „de eenheid van de staat” zou bedreigen. Ook al beweerden de leiders op bijeenkomsten en interviews dat ze niets met de gewapende strijd van doen hadden of wilden hebben.

„Lang leve APO”, zingen jongens met bivakmutsen die rond het hoofdkantoor gasbommen en stenen gooien naar politie en het kantoor van de AK-regeringspartij aan de andere kant van de straat. In de wolken van traangas tonen ze de posters van de man die ze daarmee bedoelen. Abdullah Öcalan, de veroordeelde leider van de militante afscheidingsbeweging, is alomtegenwoordig. Zijn portretten worden als die van een vereerde profeet over de hoofden van de meute getild en door tieners en huismoeders trots aan de camera’s getoond. Nu de DTP niet meer mag bestaan, is er niets anders om te scanderen dan de naam van de PKK en zijn leider.

„Hij is onze leider en er zal pas vrede in Turkije komen als de regering bereid is rechtstreeks met Öcalan te onderhandelen”, zegt Seydi Firat, ex-strijder van de PKK en al twee jaar bestuurslid van de nu verboden DTP. In 1999 keerde hij terug uit de PKK-kampen, in opdracht van de toen juist tot levenslang veroordeelde Öcalan. Het had een geste voor de vrede moeten zijn, maar hij en de andere strijders werden resoluut gearresteerd en gevangen gezet wegens terrorisme. Hij bleef zeven jaar in de gevangenis.

Turkije is sindsdien veranderd, onder het leiderschap van de AK-regering van Erdogan. Toen in oktober acht PKK-strijders uit Noord-Irak kwamen om vrijwillig de wapens neer te leggen, werden ze geregistreerd maar niet gearresteerd. Voormalig strijder Seydi Firat trok zelf de bergen in om de acht te bewegen naar Turkije terug te keren. Naar verluidt waren er veel meer gegadigden die de kampen uit wilden, dan Öcalan wilde toestaan. Militair zo goed als verslagen en geïsoleerd door de omliggende landen zijn ze het strijden moe.

„Maar ik denk niet dat er na deze beslissing van het hof nog meer uit de bergen zullen komen. Integendeel, de informatie die ik krijg is dat velen staan te popelen om de wapens weer op te nemen.” Of de jeugd in het zuidoosten nu nog bereid is het harde leven in de kampen op te zoeken met hun streng marxistisch-leninistische leer? Firat heeft geen enkele twijfel. Maar dit is Diyarbakir, waar niemand bereid is de strijd van de PKK openlijk te bagatelliseren, zeker niet nu.

Op de voorgevel van het hoofdkantoor worden al weer nieuwe letters geplakt. De partij voor Vrede en Democratie, de BDP, huist hier nu. De partij werd in mei gelanceerd toen al duidelijk werd dat de openbare aanklager de DTP wilde verbieden, zoals met acht andere Koerdische partijen gebeurden. „Een nieuwe naam, hetzelfde probleem”, zegt Seyh Maz, in 2007 een van de medeoprichters van de DTP. „Bij elk verbod van een Koerdische partij, bij elke blokkade van de democratische weg wint de PKK aanhang. Als het Constitutionele Hof dacht de eenheid van de staat te redden met het verbod van de politieke partij, dan zal het bedrogen uitkomen.”