Worden vissen wel eens moe van al dat zwemmen?

De documentaire Earth volgt onder meer twee bultruggen die 6.500 kilometer zwemmen voor een feestmaaltje van Arctische krill-garnaal. „Nu is een walvis een zoogdier, maar worden vissen nooit moe van zwemmen?”, vraagt Jessica Dorsey uit Utrecht.

Er zijn wereldwijd 25.000 vissoorten en de ene vis is de andere niet, zegt Johan van Leeuwen, hoogleraar experimentele zoölogie aan de Wageningen Universiteit. „Een zeeduivel ligt stil op de bodem en lokt vissen met een hengeltje op zijn kop. Een aantal haaiensoorten daarentegen móét met de bek open blijven zwemmen om hun kieuwen met water te ventileren en zo te ademen.”

Grofweg bestaan vissen uit sprinters en marathonzwemmers, zegt Erwin Winter, onderzoeker visgedrag en vismigratie aan onderzoeksinstituut Imares. Sprinters hebben wit spierweefsel waarin ze glycogeen opslaan: goed voor tien à vijftien seconden razendsnelle actie. Dan is de brandstof op, treedt verzuring op en wordt de vis ‘moe’. Van Leeuwen sluit spierpijn niet uit.

„De snelste sprinter ter wereld is de zeilvis”, zegt Winter. „Als het nodig is, klapt hij zijn hoge rugvin naadloos in een groef op zijn rug en haalt hij snelheden tot boven de 100 kilometer per uur.”

Marathonzwemmers hebben rood spierweefsel met veel zuurstof om het lang vol te houden. De blauwvintonijn bijvoorbeeld kan continu 20 kilometer per uur zwemmen zonder moe te worden. Zijn spieren liggen diep ín zijn lichaam, niet aan de buitenkant waar ze snel afkoelen, en zijn bloed stroomt via een soort warmtewisselaar. Zo kan de koudbloedige blauwvintonijn tot 21 graden warmer zijn dan het water.

Kampioen lange afstandzwemmen is volgens Winter de witte haai. Een exemplaar met een zendertje zwom in negen maanden tijd 20.000 kilometer, van Zuid-Afrika naar Australië – en weer terug.

Eppo König