Polarisatie in Turkije

In Turkije is een spijkerharde machtsstrijd gaande. Anders dan vroeger vaak het geval was, uit die strijd zich echter niet in politieke of militaire actie maar vooral in juridische termen. De Grondwet, in 1982 opgesteld nadat twee jaar eerder het leger de macht had gegrepen, is het wapen.

Het Constitutionele Hof vervult daarom een sleutelrol. Vrijdag heeft dit hoogste college van de Turkse Staat de DTP, de enige Koerdische politieke partij die officieel was toegestaan, ongrondwettig verklaard. Volgens het Hof heeft deze partij, die 21 afgevaardigden heeft in het 550 zetels tellende parlement, banden met de verboden afscheidingsbeweging PKK. Weliswaar roept de DTP zelf niet op tot geweld om de Koerdische zaak te bepleiten, in zaaltjes van de DTP hangen vaak portretten van de gevangen PKK-leider Öcalan.

Wie de politieke en culturele eenheid van de seculiere Turkse Staat weigert te erkennen, plaatst zich buiten de wet. Het is deze grondwettelijke bepaling die wordt ingezet om politieke conflicten per gerechtelijk arrest te beslechten. Ook de AK-partij (Rechtvaardigheid en Ontwikkeling) van premier Erdogan, die beschikt over een ruime meerderheid van 341 zetels in de Nationale Assemblee, heeft zich vorig jaar al eens moeten verdedigen tegen de aanklacht dat ze, als islamitische partij, strijdig is met de Grondwet. Het Hof durfde een regelrecht verbod niet aan. De kleinst mogelijke meerderheid van het elfkoppige Hof gaf de AK-partij toen nog het voordeel van de twijfel. Maar wat indertijd net niet kon, zou nu wel kunnen gebeuren.

Het seculiere establishment van Turkije, dat zich van oudsher heeft gegroepeerd in de thans oppositionele Republikeinse Volkspartij (CHP) en het leger als interventiemacht altijd achter de hand houdt, lijkt vast van plan om zich niet neer te leggen bij de sterke electorale positie van Erdogan.

Omgekeerd is diens AK-partij ook bereid om grenzen te overschrijden. Rechters en officieren van justitie zijn afgeluisterd om een rechtszaak kracht bij te zetten tegen 200 personen die mogelijk betrokken zijn geweest bij een militair complot. De hervormingsagenda van Erdogan, die zich baseert op een nieuwe en groeiende middenklasse die het verlangen naar modernisering paart aan religiositeit, dreigt door deze polarisatie te verzanden in interne machtsstrijd.

Daarmee komen ook de verhoudingen tussen Turkije en de Europese Unie onder druk te staan. Een paar jaar geleden was de islamitische AK-Partij met haar hervormingsstreven een logischer bondgenoot voor de EU dan de seculiere CHP. Om verschillende redenen – het groeiende verzet binnen de EU om de deur naar een Turks lidmaatschap open te zetten is er een van – heeft Erdogan de steven van het westen naar het oosten (Iran) en het noorden (Rusland) gewend.

Het verbod van de Koerdische partij doet daar nu weer een schepje bovenop. Het arrest bevestigt dat de Turkse Grondwet zich slecht verdraagt met de Europese normen. Maar in het politieke klimaat van Turkije is een herziening van de Grondwet een zo goed als kansloze missie.