Nasen

Op zevenduizend kilometer van Kopenhagen, even buiten Bayanhot in Binnen-Mongolië, woont Nasen. Hij is herder, of liever gezegd wás herder, want zijn kamelen zijn al lang geleden naar de slachter gebracht en veel schapen heeft hij niet. In Bayanhot en omstreken, zijn thuisland, is de natuur weinig vergevingsgezind. De winters zijn er koud en lang, de zomers heet en kort. En het regent er zelden. Nergens ter wereld heet zoveel hectare vruchtbaar land jaarlijks tot woestijn te verworden als daar. De straffe westenwind die er waait, heeft de aarde gescalpeerd en blaast het gele zand dat eronder ligt tot aan de kusten van Japan en de VS.

Dat is niet altijd zo geweest. Nasen, die in de veertig is, herinnert zich de dagen dat het steppegras hoog en groen stond nog goed. „Je kon er een dode kameel mee bedekken.” En dat zegt wat. Tegenwoordig staan zelfs in de beste tijd van het jaar de grassprieten er armzalig bij. De Chinese overheid die er de baas is verspreidt graszaad in de woestijn, schiet kunstmatig regen uit droge wolken en verbiedt herders als Nasen hun kuddes te laten grazen. Tot grote onvrede van de bevolking, die weet hoe de problemen begonnen.

„Niet bij ons”, zegt Nasen. Iets over de opwarming van de aarde is hem wel bekend, want in de winter bevriest zijn voorraad vlees niet meer. Maar de belangrijkste oorzaak ligt dichter bij huis: het waren de Chinezen die er dertig, veertig jaar gelden in groten getale naar toe verhuisden en de kwetsbare steppe begonnen te bewerken. Slechts één oogst overleefde de grond, daarna blies zij weg. In de voorliggende generaties waarin de steppe werd bevolkt had zich nooit een dergelijke ramp voltrokken. Nasen weet waarom. Het ecosysteem bleef in balans omdat de steppe werd beheerd door mensen die ermee om wisten te gaan. Het bewijs ligt even over de grens in het vrije Mongolië, waar de steppe er nog groen en onaangetast bij ligt. Daar kun je nog een dode kameel met gras bedekken.

    • Floris-Jan van Luyn