Land van botox en snelwandelen

In de buitenwijken van Amerika valt niet veel te beleven, merkten twee Nederlandse columnisten.

Ze kozen elk een andere weg bij het beschrijven hiervan.

In Amerikaanse buitenwijken valt, zoals bekend, niets te beleven. Ze komen alleen in het weekend en tijdens feestdagen tot leven. En dan nog. Zaterdagen en zondagen staan er vooral in het teken van sport. Dat wil zeggen: vader en moeder rijden hun kroost van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat van de ene activiteit naar de andere; de schaarse vrije tijd die overblijft wordt besteed aan het onderhoud van huis en gazon. Een dooie boel, voor wie van ophef en vertier houdt.

Sylvia Witteman, columniste van de Volkskrant, wilde als kind dolgraag naar Amerika verhuizen. Maar als zij decennia later met ‘huisgenoot P’, tevens correspondent van de krant, en drie kinderen neerstrijkt in een buitenwijk van Washington DC, staart de realiteit van de suburbs haar al snel ijskoud in het gezicht. Ze mist haar ‘überknusse’ buurt in Den Haag, waar ze dagelijks urenlang stuksloeg met winkelen en kletsen. Even gezellig de stad in gaat niet in Bethesda, waar ze woont. Boodschappen doen betekent in praktijk een keuze maken uit vier verschillende grootgrutters. En als de kwaliteit van de televisie dan ook nog eens tegenvalt zinkt de moed haar in de schoenen. ‘Ik wil hier weg’, schrijft ze aan het eind van haar column ‘Spotje’.

De ondertitel van haar boek, Avonturen in een Amerikaanse buitenwijk, is dan ook misleidend. Avontuurlijk wil haar leven in Bethesda maar niet worden. Sterker: op een buurvrouw met een drankprobleem na komt er geen Amerikaanse buurtgenoot in haar boek voor. Die buurvrouw, Francine, blijkt wodka te drinken uit een flesje mineraalwater. ‘Vreemd is ook dat we hier al een jaar wonen, pal naast haar, maar Francine heeft ons nog nooit bij zich thuis uitgenodigd. Ze schaamt zich misschien voor haar drankprobleem.’ Wie weet. Het komt blijkbaar niet in Witteman op om het Francine te vragen, hoewel zij toch regelmatig langskomt voor een praatje.

Maar misschien is dat ook niet de bedoeling. Sylvia Witteman heeft het vooral ontzettend druk met zichzelf, haar kinderen en huisgenoot P. Haar foto op het omslag is veelzeggend: ongekamd, met open mond en ogen die van ontzetting bijna uit hun kassen rollen. Boodschap: het is permanent crisis in haar huishouden. Poepende, kotsende en ruziënde kinderen, een partner die op reportage is of aan het sporten, en de auteur zelf die bij het minste of geringste ongerief naar de drank grijpt of mijmert over haar ongeremde jeugd en eerdere standplaatsen in Moskou en Berlijn, vormen haar thema’s. De kredietcrisis en Barack Obama komen een enkele keer zijdelings ter sprake.

Op het eerste gezicht heeft Margriet Oostveen veel met Sylvia Witteman gemeen. Ook zij is de partner van een correspondent in Amerika, columniste van een krant (NRC Handelsblad), moeder van jonge kinderen en veroordeeld tot een jarenlang verblijf in Washington. Ook haar kost het aanvankelijk moeite om zich thuis te voelen, maar daar zet ze zich snel overheen. In tegenstelling tot Witteman trekt ze erop uit, de stad in: ‘Als je in Washington woont […] moet je wel flinke oogkleppen ophebben, wil het je niet opvallen dat er afgronden door de stad lopen. Een afstand tussen zwart en wit en tussen rijk en arm, maar ook tussen arm en arm. Tussen rijk en rijk. Tussen wit en wit of zwart en zwart. Tussen vrouwen en mannen, tussen kinderen en hun ouders, tussen soldaten en het land dat ze willen verdedigen. Zelfs tussen vrijwilligers in verkiezingscampagnes en hun idealen.’

Eén afgrond heeft haar speciale aandacht: die tussen blank en zwart. Ze verwondert zich in haar eerste columns over het decadente leven van de welgestelde blanken (overwegend werkzaam in de politiek, advocatuur of academische wereld, overwegend Democratisch gezind) in Noordwest-Washington, waar ze woont, met hun bizarre genegenheid voor honden en hun snobistische voorliefde voor (producten uit) Europa. Hun kinderen sturen ze naar peperdure scholen, om ze klaar te stomen voor een succesvolle en vermogende toekomst: onderwijs als return on investment.

In tegenstelling tot veel buurtgenoten én journalisten (die geen behoefte hebben hun oogkleppen af te zetten, of dat niet durven) besluit ze het andere Washington te verkennen: dat van caissière Alverna Thompson, rapper Isaac Colon en de ‘blije rijken’ Floyd en Alicia Myers. Zwarte Amerikanen, met een afkomst en mentaliteit die hemelsbreed verschilt van die van haar buurtgenoten.

Later bezoekt ze enkele keren het getto in Zuidoost-Washington, met als hoogtepunt de columns (‘De dichter’ en ‘Hoop’) die zijn gewijd aan Lamont Carey en zijn moeder, Geraldine. Geraldine, alias Penny, hangt de hele dag voor de tv, maar ze weet niet wie Obama is. Ze heeft vijf kinderen, maar Oostveen gelooft niet ‘dat Penny in staat kan zijn geweest haar kinderen ook maar iets bij te brengen. Ignorance, onnozelheid, dat woord valt hier vaak als het over de zwarte kant van de stad gaat en het gaat ook op voor Penny’.

In één opzicht lijken de boeken van Witteman en Oostveen op elkaar. Het dagelijks leven van de vermogende (en overwegend blanke) Amerikanen in hun buurt beschrijven ze met nauw verholen afkeer. Vooral vrouwen moeten het ontgelden. Witteman heeft het over ‘enge afgetrainde wijven met overdreven spierwitte glimtanden in radeloos opgewekt grijnzende botox-tronies, een onafscheidelijk flesje spa blauw in de gemanicuurde klauw’. Oostveen ergert zich aan carrièrevrouwen die snelwandelen tegen de stress, ‘een zenuwslopend gezicht’. Beiden verwonderen zich over de kleding- en gedragsvoorschriften voor hun kinderen op school: uit angst voor rechtszaken en torenhoge schadevergoedingen moeten hun dochters een broek dragen als ze op het klimrek willen, is rennen op het schoolplein verboden en mag de juf geen knuffel geven aan haar leerlingen. Beiden schrijven met afgrijzen over de ‘Party Mom’ uit de staat Virginia die tot twee jaar cel werd veroordeeld omdat ze alcohol kocht én schonk aan haar minderjarige zoon van zestien en diens vrienden, die bij haar thuis zijn verjaardag vierden. Daarmee had ze en hadden zij moeten wachten tot ze 21 waren. Conclusie: Amerika dreigt onleefbaar te worden.

Margriet Oostveen: Botox op K Street en andere gezichten van Amerika. Contact, 255 blz. € 16,95

Sylvia Witteman: Ik verzin dit niet. Avonturen in een Amerikaanse buitenwijk. De Arbeiderspers, 291 blz. Prijs: € 15,00

    • Menno de Galan