Komt een vrouw mij teleurstellen

Connie Palmen maakt een scherp onderscheid tussen hoge en lage cultuur. Ik lees haar juist graag omdat haar werk zich op interessante wijze beweegt tussen hoog en laag, zegt Stine Jensen.

Oppenheimer, Ruben L.

In Opinie & Debat van 5 december sprak Connie Palmen zich uit tegen de „nivellering van hoge en lage cultuur die tegenwoordig in zwang is”. Ze stelt dat „Vaessens (hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, red.) en consorten van de roman een dienstmaagd van de actualiteit willen maken”. En Saskia Noort en Kluun zijn ‘nietsnutten’, liet Palmen hun op het Boekenbal weten.

In haar jongste boek Het geluk van de eenzaamheid geeft Palmen de volgende criteria voor ‘goede’ versus ‘slechte’ kunst. Lectuur is gericht op herhaling, conservatief, vulgair, en heeft vooral aandacht voor het private, terwijl literatuur vernieuwend en verheven is, en het persoonlijke als inzet heeft. In Palmens woorden: „Kitsch biedt de valse geruststelling dat anderen net zo zijn als jij omdat ze ook huilen bij de dood van hun moeder. Pulp is de lectuur waarin een ambitieuze, intelligente hoogopgeleide vrouw valt voor een ongeletterde, onbehouwen patjepeeër die zijn gespierde armen om haar heen slaat en belooft haar te zullen redden.”

Ik geef nu zes jaar de cursus ‘Hoog en laag? Over de classificatie van kunst’ op de Vrije Universiteit in Amsterdam. We gaan daarbij altijd uit van casuïstiek (Kluun, Anna Blaman, Gerard Reve e.a.) en bespreken theorieën van Walter Benjamin, Pierre Bourdieu en literatuurwetenschappers. Palmen geeft geen concrete voorbeelden, laat staan analyses van letterkundige of andere werken, want ze zegt niet als een „literair criticus de scepter te willen zwaaien over de Nederlandse literatuur”. Ze gaat daarom de mist in.

Neem haar idee dat pulp gaat over hoogopgeleide vrouwen met patjepeeërs. Volgens deze definitie kan Lady Chatterley’s lover van D.H. Lawrences, over de liefde tussen een ambitieuze vrouw en een tuinman, meteen naar de lectuurprullenbak. Of de aanname dat populaire cultuur conservatief zou zijn. De door Palmen genoemde voorbeelden van lectuur snijden bij uitstek seksuele taboes aan. Denk aan Kluuns Komt een vrouw bij de dokter (vreemdgaan) of aan Heleen van Royens Godin van de Jacht (vrouwelijke promiscuïteit). Ook is er genoeg ‘hoge’ literatuur te bedenken waarvan je je kunt afvragen of de term ‘progressief’ de meest gelukkige is (Geerten Meijsings en Christiaan Weijts’ zwelging in verval en fatale vrouwen: je kunt er van houden of niet, maar ‘progressief’?).

Palmens boeken zijn zelf ook casus geweest in mijn cursus. De studenten wisten het eigenlijk niet zo goed: behoort Palmen tot de lectuur of literatuur? Bijvoorbeeld De Wetten. Bildungsroman, aldus Palmen. Zeker. We hebben te maken met de hoogopgeleide ambitieuze vrouw die zichzelf wil ontwikkelen. Maar – en hierin zou De Wetten zich volgens Palmens definitie van ‘kitsch’ onderscheiden’ – niet door zich in te laten met patjepeeërs, maar met zeven mannen die zich door hun kennis en beroep laten definiëren. Daarmee herhaalt Palmen echter een ander stereotype, namelijk dat een vrouw die zich wil ontwikkelen dat alleen via geleerde mannen kan doen. En Lucifer? Dat zou je een literaire thriller kunnen noemen; het staat barstensvol met zinnen die zo uit een thriller zouden kunnen komen.

Het grenswerk van Palmen is overigens precies de reden waarom ik zo van haar werk houd. Ik lees haar graag, juist omdat ze zich op een interessante manier beweegt tussen feit en fictie, autobiografie en literatuur, hoog en laag – en daarom stelt haar demarcatiedrift, waarbij ze zich stelselmatig aansluit bij de ‘hoge’ heren van de literatuur en zich keert tegen schrijfsters, mij zo teleur.

Zijn er dan helemaal geen criteria om lectuur van literatuur te onderscheiden? Jazeker, er zijn kwaliteitsverschillen, en dat kun je via gedegen casuïstiek ontdekken. Hier komt het uiteraard aan op de oefening en het talent om te lezen en te analyseren. Dat Kluun en Noort niet zouden thuishoren in de literaire bijlage, zoals Palmen stelt, is dan ook klinkklare nonsens: de uitmuntende vroegere recensies van Hans Goedkoop alsmede de stukken van Bas Heijne over populaire cultuur laten zien hoe je populaire cultuur op een interessante wijze serieus kunt nemen.

Wat mij vooral fascineert is Palmens motivatie. Waarom maakt zij zich eigenlijk zo druk? Het lijkt erop dat Palmen vooral zichzelf wil onderscheiden als behorend tot ‘hoog’ en dat blijkt uit zinnen als: „Van Baudelaire tot Borges, van Woolf tot Wilde, van Kundera tot Coetzee; in en buiten zijn romans buigt de schrijver zich schrijvend over wat hij doet en waarom hij dat doet. In hun traditie wil ik me met dit essay voegen.” Palmen zegt niet neer te kijken op mensen die Nicci French lezen, maar ze heeft meer vrienden onder hen die een uitvoering van Der Ring des Nibelungen bijwoonden. „Ik vertrouw erop dat de laatsten zelf nadenken, me niet vervelen met nagebauwde meningen, en dat ze geen klapvee zijn voor politieke en culturele populisten. En ik weet van de laatsten dat ze behoren tot een minderheid.” Zie daar de ware arrogantie van haar demarcatiedrift: Palmens inzet is niet om Bildung bij alle lezers te bereiken, noch om werkelijk met ze in gesprek te gaan. Ze wenst de hoge cultuur voor zichzelf en de haren te houden – haar ‘geluk van de eenzaamheid’ is een ivoren toren, waar zij zich kan afzonderen van ‘het volk’.

Het is, tot slot, tamelijk grotesk dat Palmen Thomas Vaessens voor charlatan uitmaakt en zijn kwaliteiten als scriptiebegeleider in twijfel trekt. Heeft Palmen colleges of lezingen van Thomas Vaessens bijgewoond of bij studenten geïnformeerd naar zijn didactische kwaliteiten? In elk geval heeft zij niet de moeite genomen om zijn boek van kaft tot kaft te lezen. Het merendeel van Vaessens’ boek betreft een analyse van verschuivingen in het Nederlandse literaire landschap. Zijn definitie van ‘engagement met de wereld’ is een andere van die van Palmen. Hij noemt bijvoorbeeld Grunbergs Mijn oom, een roman over de oorlog in Afghanistan.

Toch pleit Palmen voor engagement. Komt ze daarmee terug op haar beweringen in haar boek? Ja en nee. Ze noemt iedere goede roman ‘geëngageerd’ omdat ‘literair’ engagement bestaande zekerheden onderuit schoffelt. Zo wordt via een noodingang elke ‘literaire’ roman ‘geëngageerd’ gemaakt, met Palmens eigen werk voorop. Dat kan dus ook zijn: je ontlasting de vrije loop laten bij het ontmoeten van je grote liefde. Het is haar goed recht om een dergelijke brede definitie van engagement te hanteren, maar het is niet minder privaat dan, laten we zeggen, de ontlasting die een kankerpatiënte niet kan controleren in ‘Komt een vrouw bij de dokter’.

Stine Jensen is docent literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit.

    • Stine Jensen