De democratie kan zich geen zondvloed veroorloven

De wereldklimaattop in Kopenhagen brengt alle soorten landen rond de tafel: grootvervuilers en beginnende uitstoters, benzinedorstigen en oliesjeiks, democratie en dictatuur. Hoe gaan zij elkaar ertoe bewegen de globale temperatuurstijging te beperken tot + 2°C in 2050, zoals het streven is? Wie leidt, wie volgt? Wie denkt aan de lege staatskas vandaag, wie aan de milieurisico’s voor morgen?

Het biedt een fascinerende gelegenheid om te bekijken hoe de politiek de argumenten van de ongewisse toekomst laat wegen op beslissingen in het heden. Kiest men in Kopenhagen voor het adagium ‘regeren is vooruitzien’ of liever voor ‘na ons de zondvloed’? (Die zondvloed kan men in dit verband naar keuze laten veroorzaken door slinkende ijskappen, smeltende gletsjers of met ongekende plensbuien gevulde rivieren.)

In vergelijkingen tussen staatsvormen krijgt juist de democratie vanouds het verwijt dat zij geneigd is de korte termijn voorrang te geven boven de lange termijn. De democratie leidt tot kortademigheid, aldus deze kritiek, tot de waan van de dag. Ze zou klein denkende politici aan het roer brengen, geen vooruitkijkende staatsmannen.

Inderdaad staat er altijd wel weer een verkiezing voor de deur. Je ziet het nu bij Obama. Hij is nog geen jaar in het ambt, met dus nog ruim drie jaar te gaan. Toch moet de Amerikaanse president reeds rekening houden met de midterm-verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden in november 2010. De campagnes beginnen al gauw. Dus zal hij in Kopenhagen geen akkoord ondertekenen dat de eigen kiezers niet lusten.

In een boeiend essay in Le Monde van 8 december onderzoekt de Franse politiek historicus Pierre Rosanvallon hoe je de toekomst politiek gezien zou kunnen versterken. De klimaat- en milieuproblemen maken onze verplichtingen jegens toekomstige generaties volgens hem dwingender. Hij noemt vier remedies tegen de ‘bijziendheid van democratieën’.

Ten eerste zou je ecologische beginselen een plaats in de grondwet kunnen geven. Juist grondwetten zijn immers de bewaarplaats van dragende beginselen die een samenleving een identiteit geven in de tijd. Ze zijn doorgaans moeilijker te wijzigen dan gewone wetten en fungeren daarmee als buffer tegen democratische wispelturigheid. Dit voorstel lijkt op de recente grondwetswijziging in Duitsland waarmee de maximale schuldenlast van de overheid wordt begrensd (tot 0,35 procent van het bbp, vanaf 2016). Bij de staatsuitgaven speelt dezelfde verleiding als bij het milieu: de afwenteling van het probleem op toekomstige generaties.

Een volgende remedie van Rosanvallon tegen kortetermijn-denken is „een sterke staat (...) als conservator van de voorwaarden van een gemeenschappelijk leven”. Dat is waar, maar op zichzelf weinigzeggend. Aardiger is zijn voorstel voor oprichting van een ‘Academie van de Toekomst’. Deze zou bestaan uit wetenschappers, filosofen, experts en vertegenwoordigers van de milieubeweging. Vertaald naar Nederlandse verhoudingen – dus zonder het stoffige begrip ‘Academie’ – staat hier: richt een Groene SER op, gezaghebbend adviesorgaan op milieugebied.

Ten slotte noemt de Franse historicus het bewustzijn van ons burgers. Een „ecologische revolutie in de hoofden” is nodig, een „uitbreiding van de tijdshorizon”. De auteur vertelt alleen niet hoe deze gestalte zouden kunnen krijgen.

Rosanvallon is een van de personages die opduiken in het zojuist verschenen boek Parijs denkt. Een Republiek tegen de wereld (Boom). Het is een levendig en empathisch portret van de Franse intelligentsia door Marijn Kruk, een goed in Parijse kringen ingevoerde historicus en journalist. Kruk schrijft over zijn filosofen: „Hoe vaak hebben zij mens en samenleving niet in gedachten herschapen, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan de wereld zoals hij in werkelijkheid is?” In dit geval is de vraag of Rosanvallons nadruk op institutionele maatregelen de kern raakt, en of het cliché van de democratische kortzichtigheid wel klopt.

In Kopenhagen willen de Europese democratieën verdergaande afspraken maken dan de autoritaire staten China of Rusland. Misschien is dus het omgekeerde waar, en zijn democratische staten méér bekommerd om de toekomst. Er is bovendien geen garantie dat leiders die niet voor verkiezingen staan, de juiste ecologische beslissingen nemen: denk aan de milieurampen in de Sovjet-Unie. Anderzijds, in Kopenhagen zijn ook de democratieën Amerika en India weinig genegen hun CO2-uitstoot aan banden te leggen. Bij Europa’s zelfgekozen voorhoederol in het klimaatdebat speelt dus meer, zoals misschien een groot schuldgevoel.

Intussen vond de milieubeweging een andere manier dan institutionele vernieuwing om de toekomst in het debat te brengen. Op de posters van Greenpeace met Obama, Merkel, Sarkozy en andere wereldleiders, afgebeeld met grijs haar, verontschuldigen zij zich vanuit 2020 voor hun falen in Kopenhagen. (‘I’m sorry. We could have stopped catastrophic climate change... we didn’t.’) De posters deden dus een slim beroep op een oude politieke emotie: het verlangen naar roem, oftewel het verlangen naar een plaats in de geschiedenisboeken van de toekomst.

Voor de bewustzijnsverandering bij gewone stervelingen wordt doorgaans een andere oude emotie ingezet: de zorg om kinderen. Die kinderen en kleinkinderen (‘uw kinderen’) worden dus in menige milieutoespraak ten tonele gevoerd. Misschien zit daar een onderschat geheim van de opmerkelijke zorg om de toekomst in democratieën. Het jonge of nog ongeboren leven spreekt er via alle vaders en moeders in de stemlokalen.

De uitdrukking Après nous le déluge, wordt toegeschreven aan Madame de Pompadour, de officiële maîtresse van Lodewijk XV van Frankrijk. Zij wilde de koning (van wie ze geen kinderen had) ermee geruststellen na een militaire nederlaag in 1757. De spreuk stamt dus uit een absolutistische monarchie. Geen parlementaire meerderheid kan zich een dergelijke grillige onverantwoordelijkheid veroorloven.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/middelaar

    • Luuk van Middelaar