'Zo zijn we: positief, we kijken vooruit '

Hanneke Montijn-Abrahams (1961) trok van kind af aan naar haar vader toe. Nu ze ziek is, mist ze hem ontzettend.

‘Dit was een mooie tijd. Als kind heb je schaarste niet zo door. We woonden boven de winkel met huishoudelijke artikelen waar mijn vader hoofd van de verkoop was. Het was niet zijn droombaan, maar mijn ouders waren jong getrouwd en hadden in zes jaar tijd drie kinderen gekregen. Ze hadden geld nodig, en een huis. Onze bovenwoning was klein, met alleen koud water, maar het was gezellig. Er kwamen veel mensen over de vloer, we deden spelletjes. Het jongetje linksonder op de foto is het zoontje van mijn tante: zij woonden tijdelijk met z’n tweeën bij ons in.

„Achter de winkel was een binnenplaats met een zandbak en allemaal grote kartonnen dozen en afgekeurd speelgoed. Daar konden we leuk mee spelen. Ik trok het meeste op met Jacqueline, met wie ik maar dertien maanden scheel. Zij was nergens bang voor en ondernam van alles; ik volgde. Met ‘luilak beddezak’ zijn we een keer ’s nachts uit het raam geklommen, en toen moest ik de huissleutel onder het hoofdkussen van mijn vader vandaan halen. Toen hij er de volgende ochtend achter kwam, keek hij ons aan en zei: ‘Ik spreek jullie vanavond.’ Daar bleef het bij, maar het was genoeg. We waren diep onder de indruk.

„Mijn vader had een groot natuurlijk gezag, en hij was een geboren hulpverlener. Toen hij genoeg had van het werk in de winkel is hij een opleiding tot maatschappelijk werker gaan volgen. Mijn moeder was toen tijdelijk kostwinner. Na zijn studie is mijn vader in gevangenissen gaan werken. Hij werkte het liefst met jongeren – die liepen met hem weg.

„Maatschappelijke betrokkenheid was belangrijk bij ons thuis. We praatten veel over politiek. Mijn vader was vrijwilliger voor het IKV en later voor Amnesty. Op ons raam hing een poster: ‘Pers geen Zuid-Afrikaan uit’, tegen de import van sinaasappels uit Zuid-Afrika. Een gruwelijk beeld, vond ik: je zag zo’n uitgeperst hoofdje. We zijn ook tegen de kernwapens gaan demonstreren.

„Ik trok van kleins af aan naar mijn vader toe. Hij stond ’s ochtends om zeven uur op om de hond uit te laten en dan ging ik altijd mee, om even tijd met hem alleen te hebben. Hij maakte lange dagen, en mensen konden dag en nacht een beroep op hem doen. Voor mijn moeder was het niet makkelijk dat hij zoveel aandacht voor anderen had. Toen wij het huis uit waren, zijn ze gescheiden.

„Mijn vader is in oktober 1998 overleden. Kort daarna werd ik aan mijn schouder geopereerd. Het was een simpele ingreep – ik deed zwaar werk in de thuiszorg, daar kreeg ik last van. Na de operatie kon ik mijn arm niet meer bewegen. Het duurde drie maanden voordat iemand me serieus nam en ik werd onderzocht. Ik bleek posttraumatische dystrofie te hebben, een spierziekte die na een klein letsel kan ontstaan. Door complicaties heb ik het nu op vier plekken in mijn lichaam.

„Sinds 2000 zit ik in een rolstoel. Tot twee jaar geleden heb ik doorgewerkt – nog steeds bij de thuiszorg, maar dan achter het bureau. Nu gaat dat niet meer. Ik mis het werk en de collega’s. Mijn hart lag echt in de zorg. Maar ik denk nooit aan wat ik niet meer kan. Dat heeft geen zin.

„Juist nu mis ik mijn vader ontzettend. Hij was zo goed als er dingen tegen zaten, relativerend en troostend tegelijk. Aan mijn moeder heb je wat dat betreft minder. Mijn band met Jacqueline is wel hechter dan ooit; zij kreeg elf jaar geleden borstkanker en is al negen keer geopereerd, maar je zult haar nooit horen klagen. Zo zijn wij: positief. We kijken vooruit.”

Gehandicapt zijn betekent dingen regelen. Achter haar tafel, met computer en telefoon binnen handbereik, heeft ze alles onder controle en ziet ze er blakend uit. Hulphond Hellen ligt te slapen op het parket. Hellen kan deuren openen en dingen oprapen. In de tuin wonen kippen.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss