Wanneer werken weinig loont

Bij 50 procent trekken veel Nederlanders de grens. Meer mag de fiscus wat hen betreft niet wegbelasten van inkomen dat zij extra gaan verdienen door een promotie, verandering van baan of het maken van overuren. Het toptarief van de inkomstenbelasting, tegenwoordig 52 procent, steekt heel wat welstandigen dan ook als een graat in de keel. Zij zijn vergeten dat de fiscus tot 1990 bij veelverdieners over de top van hun inkomen nog 72 procent afroomde. Bijna nergens in de wereld zakte het tarief in de afgelopen twintig jaar zo fors. Ondanks deze spectaculaire tariefsverlaging leeft wrevel bij nogal wat belastingplichtigen die beseffen dat zij nog altijd primair ‘voor de fiscus werken’. Overigens gaat het om een betrekkelijk kleine groep. Het ministerie van Financiën raamt dat ruim vierhonderdduizend inkomenstrekkers met het hoogste tariefpercentage van doen hebben. Bij eenverdieners die een partner onderhouden gaat het – rekening houdend met de heffingskortingen – om mensen met een belastbaar inkomen van 55.000 en meer.

Het is evenwel misleidend om uitsluitend naar de inkomstenbelasting te kijken, leert een recente publicatie van het Centraal Planbureau (CPB). De overgrote meerderheid van de werknemers zit weliswaar in een tariefschijf, waar zij over een stijging van hun inkomen 42 procent betalen, maar er is meer. Vaak ontvangen zij via de fiscus zorgtoeslag, als tegemoetkoming in de premie die zij aan hun zorgverzekeraar verschuldigd zijn. De hoogte van de zorgtoeslag hangt af van het inkomen. Door een salarisverhoging met honderd euro daalt de aanspraak op zorgtoeslag met 5 euro. Net zo krimpt het kindgebonden budget – een door de fiscus uitgekeerde aanvulling op de kinderbijslag –, en wel met 6,50 euro. Door de samenloop van inkomstenbelasting (42 procent) en de korting op beide inkomensafhankelijke toeslagen (11,5 procent) houdt zo’n werknemer uit de middengroep netto uiteindelijk slechts 46,5 cent van elke extra verdiende euro over. Anders gezegd, zijn of haar ‘marginale druk’ door diverse regelingen van de overheid bedraagt 53,5 procent.

Werknemers met een laag loon betalen 33,5 procent inkomstenbelasting. Zij hebben tevens recht op huurtoeslag, wanneer zij in de ogen van de overheid de huur niet volledig uit eigen zak kunnen opbrengen. De fiscus keert 20 tot 30 euro minder huurtoeslag uit, nadat het brutoloon met honderd euro is toegenomen. Juist werknemers met de laagste inkomens kunnen, hoewel zij slechts 33,5 procent belasting betalen, door het verlies van allerhande toeslagen te maken krijgen met een ‘marginale druk’ die oploopt tot boven de 75 procent. Ter vrije besteding houden zij in dit geval dus minder dan een kwart van hun brutoloonstijging over.

Uiteraard ontvangt lang niet iedereen alle in deze voorbeelden genoemde toeslagen. Daarom heeft het CPB gebruik gemaakt van een steekproef die representatief is voor bijna vijf miljoen werknemers. In 2007 had dit legioen gemiddeld te maken met een marginale druk van 48 procent. De spreiding rondom dit gemiddelde was groot. Voor een op de tien werknemers was de druk hooguit 35 procent. Voor een kwart gold daarentegen een druk van 53 procent of meer.

In de figuur zijn alle werknemers gerangschikt in honderd inkomensklassen van steeds duizend euro. De blauwe staafjes laten zien hoeveel procent van de werknemers in elke inkomensklasse zit. Voor werknemers in elke inkomensklasse toont de rode lijn de gemiddelde marginale druk. Vanaf een brutoloon van twintig mille fluctueert deze voortdurend rondom de 50 procent.

Zo’n hoge marginale druk kan een domper zetten op de bereidheid van werknemers om meer uren te werken of te investeren in hun eigen verdiencapaciteit, omdat hun inspanning onvoldoende loont. Onder de politieke partijen toont vooral de VVD zich bezorgd over de zware lastendruk op de hardwerkende middengroepen. Toen die partij medeverantwoordelijkheid droeg voor het beleid – tussen 2002 en 2007 – is de gemiddelde marginale druk echter gestegen van 45,5 tot 48 procent! Juist het huidige kabinet weet de druk bij ongewijzigde voortzetting van het beleid weer iets te verlagen, tot 47,5 procent in 2011.

Bij zijn exercitie heeft het CPB alleen gekeken naar de druk waaraan werknemers blootstaan. Dat is terecht, want het effectieve toptarief voor zelfstandigen ligt aanzienlijk lager. Omdat eentiende van hun winst is vrijgesteld, betalen zij effectief ten hoogste 46,5 procent inkomstenbelasting. Ligt de jaarwinst beneden de twee ton, dan kunnen zij door een besloten vennootschap op te richten de effectieve druk verder beperken tot 40 procent.

Buitenlanders die hier tijdelijk werkzaam zijn (managers, technici, beroepsvoetballers) betalen maximaal zelfs maar 36,4 procent, omdat bijna eenderde van hun inkomen volgens de wet onbelast blijft.

De bestaande variatie in de marginale druk verdient de volle aandacht van de werkgroep op het ministerie van Financiën, die momenteel kritisch naar ons belastingstelsel kijkt. Die variatie valt terug te brengen door de rol van inkomensafhankelijke toeslagen te beperken. Zo kan de zorgtoeslag worden afgeschaft, zonder dat hierdoor grote nadelige inkomenseffecten optreden. En het (veel) lagere toptarief voor zelfstandigen en hier tijdelijk werkzame buitenlanders kan omhoog, zonder dat onze economie onaanvaardbare averij oploopt.

    • Flip de Kam