Van bhaw naar boon

Van het nieuwe Etymologische woordenboek verscheen deze maand het laatste deel. Voor het eerst krijgen ook de alleroudste bronnen van het Nederlands aandacht. Berthold van Maris.

Het Nederlands is een Indo-Europese taal. Of is het toch een mengtaal van Indo-Europees en andere, inmiddels uitgestorven Europese talen? Dat is wel een conclusie die je kunt trekken uit het nieuwe Etymologisch woordenboek van het Nederlands, dat eindelijk voltooid is.

Het Nederlands stamt, zoals bijna alle Europese talen, af van een taal die vermoedelijk rond 4000 voor Christus ergens boven de Zwarte Zee werd gesproken. Dit ‘Proto-Indo-Europees’ heeft zich, zo is de algemeen aanvaarde theorie, in de millennia daarna door migratie en door lange culturele beïnvloeding over bijna heel Europa en een deel van Azië verspreid en zich daarbij opgesplitst in een brede waaier van aan elkaar verwante taalfamilies: Slavisch, Romaans, Germaans, Keltisch. Al die taalfamilies hebben nog steeds allerlei woorden die op elkaar lijken.

Maar een belangrijk deel van de oude Germaanse woordenschat komt heel ergens anders vandaan: uit talen die in Europa werden gesproken vóór de komst van de Indo-Europeanen - talen die vervolgens werden verdrongen en uitstierven. Zij vormen een ‘substraat’, een soort verborgen laag onder het Germaans. Waarschijnlijk bestond 30 procent van het vroege Germaans (van 2500 jaar geleden) uit dergelijke substraatwoorden. Zodat je je kunt afvragen: is het Nederlands wel echt een Indo-Europese taal of is het meer een soort mengtaal, een kruising tussen Indo-Europees en substraat?

VERSMELTING

In het nieuwe Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, waarvan het laatste deel deze maand verscheen, wordt voor het eerst veel aandacht besteed aan die niet-Indo-Europese substraatwoorden in het Nederlands. Guus Kroonen, bij het samenstellen van het woordenboek de specialist op dit gebied, zegt: “Het vermoeden dat het Germaans is ontstaan uit de versmelting van een Indo-Europees dialect met nog iets anders, bestaat al sinds de ontdekking van de Indo-Europese talen. Het ligt natuurlijk ook voor de hand dat die Indo-Europeanen op weg hierheen allerlei andere mensen hebben ontmoet die andere talen spraken en dat die talen hun sporen hebben achtergelaten.”

Van het Proto-Indo-Europees zelf is geen letter overgeleverd. Wat we erover weten is gereconstrueerd. De vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap, het vak dat Kroonen aan de universiteit van Leiden beoefent, concentreerde zich tot nu toe vooral op de woorden die in meerdere Indo-Europese taalfamilies (van Germaans via Latijn en Grieks tot Perzisch en Sanskriet) waren terug te vinden. Door die woorden naast elkaar te leggen, heeft men de klankveranderingen die zich sinds het Proto-Indo-Europees hebben voorgedaan, min of meer kunnen reconstrueren. Via deze ‘klankwetten’ kan het oorspronkelijke woord van 6000 jaar geleden als het ware ‘berekend’ worden. Uit het Nederlandse ‘broer’ en het Latijnse ‘frater’ kan zo bijvoorbeeld het Proto-Indo-Europese ‘bhreht(e)r’ berekend worden. Dit reconstrueren is een eindeloos gepuzzel, waar al twee eeuwen aan gewerkt wordt.

Kroonen: “Maar op een gegeven moment houdt het op, dan moet je gewoon vaststellen: hier hebben we een heleboel oude Germaanse woorden die niet lijken op woorden in al die andere talen.”

Zelfs woorden die in verschillende takken van de Indo-Europese taalfamilie voorkomen, bijvoorbeeld in het Germaans èn in het Latijn, kunnen substraatwoorden zijn. Er is een test waarmee je dat kunt achterhalen: je laat er de Indo-Europese klankwetten op los. Als deze woorden via die klankwetten netjes ‘herleid’ kunnen worden tot een en dezelfde Proto-Indo-Europese oervorm, dan gaat het vrijwel zeker om Indo-Europese woorden. Maar als de klankwetten verschillende oervormen opleveren, is er waarschijnlijk sprake van substraatwoorden.

Een voorbeeld hiervan is het woord ‘boon’. Het oud-Germaanse ‘bawn’ en het Latijnse ‘faba’ zijn verwant. De ‘n’ van ‘bawn’ is een overblijfsel van een oude uitgang, en de tweede ‘a’ van ‘faba’ is ook een uitgang. Streep je die uitgangen weg, dan houd je de stammen ‘baw’ en ‘fab’ over. ‘B’ en ‘f’ zitten qua uitspraak heel dicht bij elkaar, net als ‘w’ en ‘b’. Als je met behulp van de klankwetten terugrekent naar het Proto-Indo-Europees, dan kom je vanuit ‘baw(n)’ uit bij ‘bhaw’, maar vanuit ‘fab(a)’ krijg je als oervorm ‘bhabh’.

“Daar klopt iets niet”, zegt Kroonen. “Om te beginnen is die ‘a’ al heel verdacht. Het Proto-Indo-Europees had waarschijnlijk geen ‘a’. Bovendien klopt het niet dat je in het ene geval een ‘w’ krijgt en in het andere ‘bh’.” Het vermoeden is dus dat die woorden voor boon pas later, onafhankelijk van elkaar, vanuit substraat, in die twee takken van het Indo-Europees zijn terechtgekomen.”

Dat past mooi in het historische plaatje. “We weten dat de Indo-Europeanen vee hoedden, ze hadden niet veel landbouwgewassen. Het waren geen echte boeren. ‘Boon’ is typisch een landbouwcultuurwoord. Waarschijnlijk is het zo gegaan: toen de Indo-Europeanen hier aankwamen hebben ze dat gewas – een bepaald soort bonen – van de plaatselijke bevolking overgenomen en daarbij het woord ook overgenomen.”

Er zijn in het Germaans zelfs twee substraatlagen te onderscheiden. Er is een groep woorden die terugkomt in verschillende Indo-Europese taalfamilies, zoals het woord voor ‘boon’. Die woorden moeten redelijk vroeg overgenomen zijn, waarschijnlijk ergens in Midden-Europa. Daarnaast zijn er woorden die alleen in het Germaans voorkomen. Zij zouden afkomstig kunnen zijn uit de talen – of taal – die vroeger in Noord-Duitsland en Denemarken gesproken werden: het gebied waar het Germaans is ontstaan.

CONTACT

In die tweede laag vind je heel gewone basiswoorden, zoals ‘been’, ‘haar’, ‘bot’ en ‘wijf’. Begrippen waar het Indo-Europees zelf natuurlijk ook woorden voor had. Maar die zijn, blijkbaar, verdrongen door niet-Indo-Europese woorden. Het contact tussen het Indo-Europees en het substraat moet dus intiem geweest zijn, denkt Kroonen. En langdurig.

“Het vermoeden is dat die niet-Indo-Europese taal wel enig prestige had. Wat dat betreft zou je het eerder een ‘adstraat’ willen noemen, in plaats van een ‘substraat’: een taal die niet ‘onder’ maar ‘naast’ de andere taal lag. Er is waarschijnlijk een heel lange periode van grootschalige tweetaligheid geweest. Met een wederzijdse beïnvloeding, totdat een van de twee talen het wint, de ander definitief verdringt, maar ondertussen ook allerlei eigenschappen van die ander geassimileerd heeft.”

De belangrijkste reden waarom de Indo-Europeanen zich zo sterk verspreid hebben en andere volkeren niet is, denkt men, dat ze mobieler waren dan anderen. Ze hadden paarden en wagens. In het gebied waar de Indo-Europeanen oorspronkelijk zaten, boven de Zwarte Zee, zijn heel vroege resten van wagens gevonden. ‘Wagen’ en ‘rad’ (in de betekenis van ‘wiel’) zijn zuiver Indo-Europese woorden. En ‘wiel’ misschien ook – maar daar is discussie over.

Kroonen: “Ze konden zich snel verspreiden ten koste – op den duur – van andere mensen, of in ieder geval van andere talen en culturen. Hoe dat precies gegaan is, weten we niet.”

Was er sprake van overheersing of kolonisatie? Of was het meer een langdurig contact tussen Indo-Europeanen en niet-Indo-Europeanen met veel gemengde huwelijken en wederzijdse culturele beïnvloeding? “Je ziet dat ze vanuit hun oorspronkelijke gebied, in Zuid-Rusland, alle kanten zijn opgegaan. Ze komen daarbij culturen tegen die vaak veel te bieden hebben. Hier in het West-Europa woonden bijvoorbeeld boeren die het waarschijnlijk best goed hadden, omdat ze relatief veel voedsel konden produceren. Daar werden de Indo-Europeanen misschien wel door aangetrokken. En ook al hadden die boeren het goed, ze zijn hier taalkundig niet de baas gebleven. Hun talen zijn in ieder geval verdwenen.”

Er zijn in Europa maar een paar niet-Indo-Europese talen die de ‘Indo-Europese invasie’ overleefd hebben: het Fins, Saami (Laps), Ests en Hongaars. En helemaal aan de andere kant van het continent het Baskisch.

Marlies Philippa e.a. - Etymologisch woordenboek van het Nederlands. Deel (s t/m Z). Amsterdam University Press. pag. ,=. De hele set van vier delen kost ,=.