Tussen politiek leider en burger hoort een kloof te zijn

Politieke leiders moeten betere kwaliteiten hebben dan het volk dat ze vertegenwoordigen. Representatie is geen afspiegeling. Pleidooi voor aristocratie.

Decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Zijn nieuwste boek is ‘Gevaar verplicht. Over de noodzaak van aristocratische politiek’ (Van Gennep, Amsterdam).

Het kan verkeren: een jaar geleden bood Dirk Scheringa nog aan het land te redden als minister met volmachten. Bij de Algemene Beschouwingen was hoon Balkenendes deel: hij toonde geen leiderschap. De aanvankelijke glans van Obama’s presidentschap verdoft. Zijn er geen echte leiders meer? Pleidooien voor leiderschap en daadkracht in de politiek vallen vaak te beluisteren. In de Amerikaanse politieke cultuur was dat altijd al het geval, maar in Nederland is het de laatste jaren een veel gezongen wijs. Kennelijk vragen onzekere tijden om de zekerheid van de man – die worden immers meestal bedoeld – die visionair de weg wijst naar een stip op de horizon, terwijl hij onderweg de ene na de andere krachtige beslissing neemt. De ongemakkelijkheid die ons voorheen steeds bekroop, lijkt voorbij. Toch worden zelden historische voorbeelden genoemd. Een enkele CDA’er van antirevolutionairen huize droomt nog wel van Kuyper en Colijn, maar zal de dictatoriale trekken van hun leiderschap toch liever vergeten. Bij sociaal-democraten is veel heimwee naar Drees en Den Uyl, maar niet naar de burgerlijkheid van de eerste en zeker niet naar de wereldomspannende idealen en de diepe overtuiging van het eigen gelijk van de laatste. En de liberalen zijn weliswaar heel personalistisch, maar herinneren zich vooral Bolkestein. Over de extreme linkerkant en de extreme rechterkant zwijg ik maar. Daar zal de herinnering vooral een pijnlijke zijn.

Pleidooien voor leiderschap zijn in mijn opvatting vooral dubieus. Vaak vallen ze te vernemen uit de mond van grijsgepakte heren die eerder opvallen door hun mediocriteit dan door hun inspirerende uitstraling. Bovendien heeft de democratie een ander niveau van complexiteit dan de gemiddelde winst- en verliesrekening van een bedrijf, dat vaak aan de politiek ten voorbeeld wordt gesteld. Dat is des te opmerkelijker nu het leiderschap in die kringen zulke zware tijden meemaakt. De democratie verschaft geen brevet voor machtsuitoefening naar eigen inzicht. Het is een misverstand te denken dat wie de verkiezingen wint, per definitie gelijk heeft. Nog afgezien van het feit dat de grootste partij niet vanzelfsprekend een kabinet gaat leiden, is een verkiezing altijd in de eerste plaats een overwinning van de democratie. En de democratie gaat eerst en vooral over wat ons verdeeld houdt, over onze onenigheid. Een democratie zou onmiddellijk zinloos worden als we het eens zouden zijn. Democratie gaat, met andere woorden, meer over de bescherming van minderheden dan over de vorming van meerderheden.

Helemaal dubieus is de claim dat leiderschap de kloof tussen politiek en burger kan overbruggen. Dubbelzinnige uitdrukking daarvan is het populisme. Dat zegt dat de betekenis van democratie de heerschappij van het volk, vaak met het woord ‘eigen’ meer of minder expliciet ervoor, is. Voor die heerschappij van het volk is een leider nodig, die de stem des volks is. In een recent essay over populisme zegt socioloog Anton Zijderveld het mooi: de ‘vox populi’ heeft een ‘vox dei’ nodig. Ongewild bevestigt de populistische leider daarmee de grote afstand tussen leider en volk. Terwijl Fortuyn zich daarvan nog bewust was en ook niets naliet om die afstand in stijl te benadrukken, lijkt Wilders vooral vertolker te willen zijn van het volkse oordeel, dat meestal ook gezond wordt genoemd. Vandaar ook zijn permanente oorlog met de elite.

Het populisme streeft naar een onmogelijke onmiddellijkheid. Het zegt dat de wil van het volk glashelder is, maar voortdurend wordt vertroebeld door een elite, die zelfs het bestaan van dé Nederlander ontkent. Voor de populist hoort wie zich aan de meerderheid aanpast bij het volk, wie onze waarden deelt en wie trots is op onze geschiedenis. Wie dat niet aanvaardt, wordt buitengesloten Het populisme wil de verdeeldheid opheffen, omdat het pluraliteit verafschuwt. Het voorziet de vrijheid van een enkelvoudig uitroepteken en reserveert deze voor het volk, wiens mythische eenheid door de leider wordt vertolkt. Het plaatst cultuurgemeenschap voor politieke gemeenschap en is daarom anti-politiek en dus gevaarlijk.

Kern van een politieke gemeenschap is dat deze via vertegenwoordiging tot stand komt. Wie ertoe behoort is een politieke keuze; geen kwestie van geboorte, afstamming of gedeelde waarden. De politieke gemeenschap bestaat juist omdát onze waarden verschillend zijn. Het volk is geen eenheid, maar fundamenteel verdeeld. Juist zijn verdeeldheid beschermen we in de democratie, waarin we het – gelukkig – nooit eens hoeven te worden. We sluiten compromissen die de onenigheid draaglijk maken. Dat is ook altijd de kern van de verzuiling geweest. Het volk was religieus en levensbeschouwelijk ten diepste verdeeld. Beeldenstormen, schuilkerken en processieverboden laten zien dat het Nederlandse zelfbeeld van de tolerante natie altijd al vals was. De verzuiling was daarom een overeenstemming tussen elites om aan de levensbeschouwelijke verdeeldheid ruim baan te geven onder het dak van een kleine Staat die deze verdeeldheid beschermde en een burgeroorlog voorkwam. In Nederland geen Oranjemarsen. Dat wisten verstandige leiders als Drees (PvdA), Romme (KVP) en Schouten (ARP). Zij waren principieel en pragmatisch tegelijk.

De politieke democratie representeert maatschappelijke pluraliteit. Representatie is echter geen afspiegeling. Dan zou statistiek volstaan. Alle democratie is representatie, zelfs de directe. Democratie valt niet samen met de samenleving. Niet alles is politiek. Dat was ook altijd de fundamentele breuk tussen christen-democraten en liberalen enerzijds en sociaal-democraten en socialisten anderzijds. Van Agt kon Den Uyl hels krijgen met zijn relativering van het belang van de politiek. Dat vond ik toen al van wijsheid getuigen. Nog steeds laat links leiderschap het belang van de collectiviteit prevaleren boven het belang van de individuele burger en zijn verbanden. Halsema (GroenLinks) en Pechtold (D66) zijn in dit verband liberale uitzonderingen. En ook bij de VVD valt dit geluid nog wel eens te beluisteren.

Tussen politiek en burger hoort een kloof te bestaan. Sterker nog, als we de vrijheid koesteren, moeten we tegen de politiek worden beschermd. Een serieuze inperking van de staatsmacht is daarom noodzakelijk. Dat doet de democratie door de minderheid te beschermen. Dat doet de rechtsstaat door alle politiek aan recht te binden. De verhoudingen in een samenleving moeten ordentelijk zijn, met checks and balances en macht en tegenmacht. Bescherming van minderheden is een democratische kernwaarde. Dat vraagt om distantie en distinctie, om zelfbeperking en zelfbeheersing.

Precies daarom zijn elites, hoe problematisch ze ook zijn, noodzakelijk. De bescherming van minderheden, de vitaliteit van de democratie, de veerkracht van een samenleving: zonder een elite die zich daarom bekreunt zijn het zeer kwetsbare idealen. Dat vraagt echter om een geheel ander soort leiderschap dan doorgaans wordt bepleit. De zware verantwoordelijkheid van de politieke en bestuurlijke macht schept verplichtingen, zoals in noblesse oblige. Machthebbers moeten deugdzaam zijn, zei Aristoteles al. Deugdzaamheid heeft niets met spruitjeslucht en middelmatigheid te maken. Deugdzaamheid gaat over voortreffelijkheid en excellentie.

Daarom pleit ik voor aristocratische politiek. Dat is een politiek die aanvaardt dat verantwoordelijkheid verplichtingen schept. Dat is een politiek die zichzelf weet te matigen. Het geweldsmonopolie van de Staat maakt politieke macht gevaarlijk. De totalitaire verleiding ligt voortdurend op de loer. Toevallige machthebbers – en machthebbers zijn altijd toevallig – kunnen de verantwoordelijkheid van het ambt verwarren met de toevalligheid van hun opinies. Ze kunnen een al te sterk geloof in de maakbaarheid van maatschappelijke verhoudingen hebben, ook en juist als idealisme hen inspireert. Dat zien we op dit moment zo treffend bij het optreden van burgemeesters. Ze zijn idealistisch, ze zijn verbonden met hun stad, ze zien de noden van grootstedelijkheid. Dat leidt al snel tot een pleidooi voor verruimde bevoegdheden, zelfs uit de mond van een verstandige bestuurder als Cohen. Wie in al te veel risicodossiers voorkomt, krijgt de interventieteams van eerst Opstelten en nu Aboutaleb op bezoek. Vreeman ontwikkelde zich zelfs tot pleitbezorger voor shopping mall en volkstheater.

Ik verwacht van machthebbers in het politieke domein meer afstand, meer distinctie. Het gaat om de volgende deugden:

Prudentia. Machthebbers moeten met kennis en inzicht handelen en rekening houden met omstandigheden, belangen van anderen en eigenbelang. Hun handelen moet voortvarend zijn als de belangen van de Staat erom vragen, maar tegelijk voorzichtig om de belangen van burgers niet te schaden. Prudentia lijkt op ‘staatsmanschap’, het is niet de wijsheid van de filosoof-koning en evenmin het niet door intellectuele kwaliteiten gehinderde ‘gezonde verstand’. Goede voorbeelden zijn Den Uyls optreden in de Lockheed-affaire en Kohls volharding bij de Duitse hereniging. Slechte voorbeelden geven Berlusconi in zijn bejegening van de rechterlijke macht en Nederlandse Kamerleden met hun veroordeling van rechterlijke uitspraken.

Proportionaliteit. De inzet van het geweldsmonopolie moet altijd proportioneel zijn. Het doel moet de middelen kunnen heiligen. Alleen als het voortbestaan van het geweldsmonopolie zelf of de vrijheid van de burgers en de democratie in het geding zijn, is de inzet ervan compromisloos. Goed voorbeeld is gemiddeld genomen het optreden van de Nederlandse politie bij verstoringen van de openbare orde. Slecht voorbeeld is het jarenlange tolereren van kraken, waarbij aan de ene groep burgers geweld tegen eigendom van andere burgers werd toegestaan.

Bescheidenheid. De totalitaire verleiding moet worden weerstaan. Dat vraagt om ambitieuze bescheidenheid. De politiek moet weet hebben van de tragiek van de onbedoelde gevolgen. Grote terughoudendheid is geboden. Van politieke machthebbers mag bezonnenheid en bezonkenheid worden verwacht. Goed voorbeeld is de terughoudendheid die SGP-leider Van der Vlies vraagt van de Nederlandse Staat. Slecht voorbeeld is de maakbaarheidsdroom die vrijwel de gehele politieke klasse momenteel in de greep heeft.

Oordeelsvermogen. De wereld is ingewikkeld, ongekend en onvoorspelbaar. Oordeelsvermogen is de kwaliteit om in handelen en beslissen recht te doen aan complexiteit en nooit te simplificeren. Dat hoeft niet tot verlamming te leiden, als ook de vaardigheid er is om maatschappelijke veerkracht te herkennen. Intellectuele kwaliteiten zijn nodig, maar ook wikken en beschikken, en altijd voorlopige waarheidsvinding. Machtsuitoefening vraagt om voorbehouden, omdat vergissen steeds mogelijk is. Goed voorbeeld is het voorstel van Femke Halsema om constitutionele toetsing mogelijk te maken. Slecht voorbeeld is het rapport over de Schipholbrand van de Onderzoeksraad van Pieter van Vollenhoven die causaliteiten suggereert die nooit zo gesuggereerd mogen worden.

Tolerantie. Politiek moet het ondraaglijke, het verschil dat schuurt, verdragen. Politiek gaat over strijd en conflict. De tegenstander heeft onaanvaardbare en verwerpelijke opvattingen. Politiek heeft daarom een dubbele taak: tolerantie mogelijk maken door verschillen te beschermen en deze te representeren. Die deugd ligt besloten in Cohens wens ‘de boel bij elkaar te houden’. Diezelfde Cohen geeft ook het slechte voorbeeld door een ‘liberale’ moskee te steunen.

Kosmopolitisme. Aanvaarding van de wereld in zijn gebrokenheid en verschillen is uitgangspunt voor politiek handelen. Politiek en cultuur vallen niet samen. Identiteit is meervoudig. Dit betekent dat machthebbers kosmopolitisch moeten zijn. De rechtsstaat behandelt ons gelijk in al onze verschillen, die ons weer tegen de Staat beschermen. Dat is geen arrogant multiculturalisme: deze deugd geldt voor machthebbers, niet noodzakelijkerwijze voor burgers. Die mogen hun cultuurgemeenschap superieur achten. Een goed voorbeeld geeft minister Van der Laan (Integratie, PvdA) wanneer hij aarzelt over etnische registratie. Een slecht voorbeeld geeft Verdonk wanneer zij Sinterklaas tot Hollands cultuurgoed verklaart, terwijl in sommige streken van Nederland de intocht van Sinterklaas en het houden van processies tot in de jaren 70 van de vorige eeuw verboden waren.

De positie van de politieke machthebber is geen zaak van vastliggende verdiensten of kwaliteiten. De machtspositie moet in een democratisch proces worden verdiend. Dit proces bepaalt wie de ‘aristoi’ zijn. Machtsposities zijn een geschenk van de kiezer. Wat geschonken wordt, is de zware verantwoordelijkheid van het politieke ambt. Het is een groot geschenk, dat alleen aan de besten kan worden toevertrouwd. Wie de besten zijn, is de uitkomst van het democratisch oordeel. Er mag van de gekozenen voortreffelijkheid in machtsuitoefening worden gevraagd die niet naar believen en zonder enige beperking kan plaatsvinden.

Aristocratische politiek vraagt om elegantie en hoffelijkheid. Niet die van de gepoederde pruik of de hoofse galanterie, maar die van de gevoeligheid voor het verschil, de behoedzaamheid in de inzet van de monopolies en de voorkomendheid in de bescherming van vrijheidsrechten. Politieke machtsdragers dienen waarden van democratie en rechtstatelijkheid uit te dragen. Dat sluit scherp debat en het hekelen van ministers niet uit. Een minister ‘knettergek’ noemen is weliswaar rauw, maar niet buiten de orde, Brinkmans belediging van een deel van het koninkrijk wel.

Maar aristocratische politiek blijft politiek. Het gaat om strijd en onenigheid. De representatie van deze onenigheid maakt de kloof onvermijdelijk. Bemiddeling en afstand zijn nodig. Minderheden verdienen bescherming. Ook dat is aristocratische politiek.

Als machthebbers onvermijdelijk en noodzakelijk zijn, zullen ze voortreffelijk moeten handelen. Als representatie tegenover de schrille klanken van het populisme staat, zal de macht gebonden moeten zijn. Als de vrijheid van de burger de belangrijkste opgave van machtenscheiding is, zullen machthebbers van maatvoering moeten weten. Als de Staat een democratische rechtsstaat is, kunnen machthebbers niet anders dan verdraagzaam zijn. Dat is de noodzaak en de mogelijkheid van aristocratische politiek. Omdat gevaar verplicht.

    • Paul Frissen