Stofje voor status

Testosteron wordt gezien als ‘agressiehormoon’. Maar dat is niet juist. Het hormoon maakt dominant en statusgericht, maar die dominantie gaat vaak gepaard met coöperatief gedrag. Jop de Vrieze

Vraag tien mensen welk type gedrag ze associëren met testosteron en negen zullen zeggen: agressie. Zien we het woord staan, dan denken we direct aan groepen ontembare voetbalsupporters, die een spoor van vernieling achterlaten op weg van stadion naar centrum.

Terecht? Het zijn vooral proefdierstudies, die de ‘volkswijsheid’ over het mannelijk geslachtshormoon bewezen: stop twee ratjes met een verhoogd testosteron samen in een hokje en ze vliegen elkaar spontaan in de vacht. Nee, testosteron maakt dieren er niet vriendelijker op. Bij mensen was het bewijs ook helder: de meest agressieve gedetineerden in gevangenissen hebben de hoogste testosteronwaarden. Maar zo simpel is het verband niet, blijkt nu.

Wat bijna niemand wist, is dat wetenschappers al jaren broeden op een hypothese die testosteron in een heel ander daglicht plaatst: de ‘sociale status’-hypothese. Mensen met meer testosteron voelen zich meer geprikkeld om hun status te verdedigen of verbeteren. Deze week verscheen op de website van Nature een publicatie die het eerste experimentele bewijs voor deze hypothese levert.

GELDBEDRAG

Onderzoekers van de universiteit van Zürich selecteerden 121 jonge vrouwen en gaven de helft een placebo en de helft een pilletje met 0,5 mg testosteron. De proefpersonen kregen niet te horen wat ze kregen. Ze kozen voor vrouwen omdat bij mannen niet duidelijk is na hoeveel tijd een dosis testosteron optimaal werkt. Vrouwen maken van nature wel testosteron aan, maar veel minder dan mannen.

In een spel moest steeds een vrouw een geldbedrag van 10 Zwitserse franc delen met een andere vrouw, die het aanbod kon aannemen of weigeren. Geen deal, geen geld voor beiden.

De testosteronontvangers stelden zich een stuk socialer op dan de placebovrouwen, en bleken niet minder, maar juist meer geld te bieden om een deal te maken. De onderzoekers gingen er vanuit dat agressie het bod juist lager zou maken.

Christophe Eisenegger, eerste auteur van het artikel: “Dit onderzoek toont voor het eerst aan dat testosteron en agressie bij mensen niet altijd samengaan.” Daarmee bevestigt het Zwitserse onderzoek wat testosterononderzoekers al langere tijd vermoeden: testosteron maakt dominanter, maar hoe we die dominantie uiten hangt van de omstandigheden en van andere hormonen af. “Mensen zijn sociale wezens”, zegt Eisenegger. “Als we hogerop willen komen, heeft het vaak veel meer zin om allianties te sluiten, en soms zelfs altruïstische trekken te vertonen.”

De stelling dat dominantie zich bij mensen anders manifesteert dan bij veel diersoorten, werd in 1973 al geponeerd door socioloog Allan Mazur van de Syracuse University in New York. Hij is auteur van verschillende boeken over biosociologie en dominantie.

MET MANNEN

Een zwakte van de publicatie in Nature is dat het experiment niet op mannen is uitgevoerd. Eisenegger denkt dat het effect bij mannen hetzelfde is. Mazur schrijft in een e-mail dat hij uitkijkt naar de resultaten van het experiment met mannen, waar Eisenegger nu aan werkt.

Ook Arne Popma, die aan de Vrije Universiteit onderzoek doet aan neurobiologische factoren bij antisociale jongeren, is daar benieuwd naar: “Uit een studie die in 2007 in Proceedings of the Royal Society B verscheen bleek dat mannen die van nature een hoger testosterongehalte in hun bloed hebben eerder geneigd zijn een laag bod af te slaan, en was het bod van mannen met hoger testosteron niet significant hoger. Er kunnen dus wel degelijk verschillen tussen mannen en vrouwen zijn.”

Mogelijk reageren mannen en vrouwen dus anders op testosteron, en hanteren ze andere strategieën om hun dominantie uit te drukken. “In elk geval kan niet worden gezegd dat testosteron mensen nooit agressief maakt”, vindt Popma. Hij toonde in 2007 aan dat een hoger testosteron een voorspellende factor was voor agressie bij een groep jonge delinquenten in Amsterdam. Het is aannemelijk dat dit ging om agressie die te maken had met bedreiging van hun status.

CORTISOL

Wat ook uit de studie van Popma bleek, was dat nog een ander hormoon een rol speelt bij het ontstaan van agressie: het stresshormoon cortisol. Hadden de delinquenten een hoge cortisolwaarde in hun bloed, dan kon hun testosteron nog zo de pan uit rijzen, agressief werden ze er niet van. Cortisol zou zorgen voor zelfbeheersing.

Deze interactie tussen cortisol en testosteron is vaker aangetoond. Bob Josephs, hoogleraar psychologie in Austin, Texas, ziet steeds meer bewijzen dat het effect van testosteron “bijna exclusief afhangt van andere hormonen en genen”. Hij publiceerde dit jaar in het Journal of Research in Personality zijn ontdekking dat alleen individuen met een minder goed werkend serotoninetransport agressief reageerden wanneer hun status werd bedreigd. Serotonine wordt ook wel het depressiehormoon genoemd.

Het lijkt er dus op dat lange tijd het effect van testosteron, dominantie, is verward met een indirect effect, agressie, dat niet altijd optreedt. Een ‘asociaal’ persoon reageert asociaal op testosteron, een ‘sociaal’ persoon sociaal. Tijd voor rehabilitatie van testosteron? Eisenegger: “Ik hoop dat dit onderzoek ervoor zorgt dat mensen in elk geval iets genuanceerder over testosteron gaan denken.”

    • Jop de Vrieze