'Samen in springequipe zou wonder zijn'

Albert en Vincent Voorn behoren tot de meest succesvolle springruiters van Nederland. „Ik verheug mij nu al op de dag dat ik Vincent om advies vraag.”

eevrtsoord vader en zoon voorn foto rien zilvold Zilvold, Rien

Springruiter Albert Voorn (53) beleefde negen jaar geleden zijn hoogtepunt door op de Olympische Spelen in Sydney een zilveren medaille te winnen. Zijn zoon Vincent (25) werd in 2007 Europees kampioen met de Nederlandse springequipe in Mannheim, en won twee weken geleden de Grote Prijs van Maastricht. Een gesprek met vader en zoon in hun Limburgse hoeve, waar moeder Irma koffie en broodjes serveert. „Mijn vrouw is de drijvende kracht achter alles”, knipoogt Albert Voorn naar zijn zoon. „Zij houdt her roer recht. Zonder haar zijn wij hopeloos verloren.”

Paardrijden is een familiesport. Waar komt die interesse vandaan?

Albert: „De ouders van mijn vrouw waren paardenfokkers. Mijn ouders hadden een boerenbedrijf. Ik ben gaan paardrijden omdat ik beroemd wilde worden, net als mijn grote voorbeeld Ard Schenk. In mijn jonge jaren was ik een zeer verdienstelijk schaatsenrijder, maar omdat je eigen lichaam er aan te pas komt, kun je die sport maar voor korte tijd beoefenen. Dus toen mijn vader mij voor de keuze stelde, had ik mijn antwoord al klaar.”

Vincent: „Aanvankelijk interesseerde de paardensport mij niet. Ik heb tot mijn vijfde pony gereden, maar mijn belangstelling ging meer naar voetbal uit. Ik speelde tot mijn dertiende bij de Belgische club Kapellen.”

Albert: „Zijn laatste voetbalwedstrijd kan ik mij nog goed herinneren. Kapellen kwam met 1-0 achter, hij maakte 1-1. Ze kwamen met 2-1 achter, hij maakte 2-2. Vervolgens verloren ze alsnog met 7-2. Vincent was het zat. Hij blééf niet bezig. Niet veel later stapte hij toch weer op de pony. En tot mijn stomme verbazing reed hij zo weg! De basis zat er nog steeds in.”

Een aangename verrassing.

„Zeker. Ik heb er nooit een punt van gemaakt dat hij wilde voetballen, maar stiekem vond ik het wel een beetje jammer. Door mijn drukke werkzaamheden had ik al die jaren nauwelijks tijd Vincent te ondersteunen. En dat geldt ook voor mijn vrouw, die mij altijd vergezelt naar concoursen. Dus toen mijn zoon voor de paardensport koos, werd het gezin als het ware herenigd.”

U zei net dat beroemd worden uw drijfveer was. Is dat een beetje gelukt?

„Nee. Nederland is een land met een kort geheugen. Sporters worden twee dagen gelauwerd: wanneer ze landen op Schiphol, en de dag erna, bij het bezoek aan de koningin en de rijtoer door Den Haag. Daarna hoor je nooit meer iets. Laat ik het zo zeggen: aan mijn olympische medaille heb ik geen werk, respect of waardering overgehouden. Althans, niet in Nederland. Als ik nu een wedstrijdje in Nederland rij, rijdt de jeugd mij gewoon klem tegen de muur. Sterker nog: ze weten niet eens wie ik ben.”

Het lijkt u te frustreren.

„Nou, frustreren... ik vind het raar. Je bereikt een bepaald niveau en hoopt dat dat iets teweegbrengt.”

Over frustratie gesproken: kinderen die in de voetsporen van bekende ouders treden, hebben het vaak moeilijk. Geldt dat ook voor de zoon van Albert Voorn?

Vincent: „Pas in een laat stadium deed ik een beroep op mijn vader. Ik wilde eerst mijn eigen weg gaan. Maar ja, op een gegeven moment kwam ik toch bij hem uit.”

Albert: „Ik wilde mezelf niet opdringen als coach. Maar als vader met een zeer groot ego was ik natuurlijk wel teleurgesteld toen hij voor een ander koos.”

Vincent: „Ik vroeg ‘pap, wilt u mij trainen?’ Hij zegt ‘prima, als je maar nooit de term ‘ja maar’ in mijn bijzijn gebruikt’. Dat is in de daarop volgende vijftien jaar niet één keer gebeurd.”

Albert: „Ik zei: vragen mag je stellen, maar we gaan niet in discussie. Ik was 44 jaar toen ik mijn eerste internationale kampioenschap reed. Dus als ik mijn ervaring op hem kon overbrengen, liep hij twintig jaar op mij voor.”

Als sporter floreerde Vincent. Maar was jullie deal ook goed voor zijn persoonlijke ontwikkeling?

Vincent: „Het heeft mij geleerd om respect voor anderen op te brengen. Maar op een gegeven moment was het ook nodig dat ik zelf obstakels leerde overwinnen. Daarom heb ik vier jaar geleden een contract met sponsor Eric Berkhof gesloten. Officieel woon ik nog bij mijn ouders, maar in de praktijk slaap ik vaak in Dinteloord, anderhalf uur rijden hiervandaan.”

Albert: „In het begin van zijn carrière was hij ‘de zoon van’. Inmiddels ben ik ‘de vader van’. Een mooie ontwikkeling, die hij zelf heeft afgedwongen. Alle prijzen die hij heeft gewonnen, heeft hij op eigen kracht binnengesleept. Ik zat op de tribune, maar daar is alles mee gezegd.”

U heeft ooit gezegd: als ik Vincent zie rijden is het of ik in de spiegel kijk.

Ja. Het kan mij ontroeren als zo’n jongen uitvoert wat ik hem heb geleerd. Winnen is daarbij niet noodzakelijk: het gaat om de manier waarop hij obstakels overwint.”

Is het niet wennen voor een succesvol vader als alle aandacht opeens naar zijn zoon uitgaat?

Albert: „Absoluut niet! Dat zou betekenen dat ik jaloers ben, en dat zou een slechte zaak zijn. Ik verheug mij nu al op de dag dat ik Vincent om advies kan vragen. Dat zou namelijk betekenen dat-ie erg goed is. Begrijp mij goed: ik ben erg gedreven. Op de training treft u nog steeds een ambitieus man aan. Maar dat Vincent in de ring goed presteert, vind ik geen enkel probleem.”

Vincent: „Ik heb veel van mijn vader geleerd. Maar misschien wel de belangrijkste les is dat ik rustig moet blijven als het tegen zit. Het is heel verleidelijk om op dat soort momenten terug te vallen op je trainer. Maar het maakt je als ruiter ook afhankelijk.”

Bij zijn olympisch debuut in Hongkong presteerde Vincent ver onder zijn niveau. Hoe gingen u daar als gezin mee om?

„In Hongkong moest hij – anders dan gebruikelijk – als derde ruiter aantreden. De twee ploeggenoten voor hem hadden een goed resultaat neergezet, dus de medaille kwam binnen handbereik. En ja, dan kunnen de zenuwen opspelen. Oók als je bekendstaat als een betrouwbaar ruiter.”

Vincent: „Het gekke is dat ik nooit last van zenuwen heb gehad. Maar toen ik na de tweede bocht in de sloot reed, sloeg ik dicht. Ik kon alleen nog maar aan het scorebord denken. Met rijden was ik totaal niet meer bezig. Ik ging meer druk op mijn paard zetten, toen werd het van kwaad tot erger.”

Albert: „Ik heb hem na afloop van de proef meteen gebeld. ‘Geeft niets’, zei ik. ‘Ian Millar [Canadese springruiter] heeft ook pas bij zijn negende olympische optreden een medaille behaald. En hij is 61, dus je hebt nog alle tijd. Ik weet uit ervaring dat de druk van buiten enorm is na zo’n optreden. Mensen roepen maar wat, en kunnen daar veel schade mee aanrichten.”

Vincent: „Je moet je eigen plan trekken.”

Albert: „Je moet altijd je eigen plan trekken. Iemand die op de grond staat heeft geen zicht op de situatie. Dat is gewoon helemaal niemand.”

Voorafgaand aan het gesprek vertelde Irma Voorn dat haar zoon tijdens het optreden in Hongkong aan een paal bleef haken. De scheur in zijn rijbroek werd na afloop gerepareerd, maar het kledingstuk heeft hij sindsdien nooit meer uit de kast gehaald. Geconfronteerd met deze anekdote zegt Vincent Voorn: „Wat op mijn vierentwintigste een hoogtepunt had kunnen zijn, werd een dieptepunt. Niet alleen voor mij, ook voor mijn ouders, sponsor en paard. Na Hongkong heb ik besloten niet meer aan het gebeuren te denken. En ja, daar hoort die broek ook bij. Ik koop nog liever een nieuwe, dan dat ik hem aantrek.”

Heeft ‘Hongkong’ uw zoon veranderd?

„Ja. Hij is er leuker op geworden. Voorheen werd hij vaak voor arrogant aangezien door zijn zelfverzekerde houding. En dat is niet zo gek, als je van jongs af aan medailles wint bij de vleet. Maar tegenwoordig weet hij hoe het is om van hoog naar laag te vallen. En dat is aan het einde van de reis belangrijker dan sportief succes.”

Vincent: „Het jaar voor de Spelen werd ik Europees kampioen met het Nederlandse team. En ook na de Spelen heb ik niet slecht gepresteerd. Maar die Spelen blijven mensen het meeste bij. Mij wordt vaak gevraagd of ik met die recente eindzege in Maastricht revanche heb genomen op mijn mislukte optreden in Hongkong. Maar zo voelt het absoluut niet. Ik heb daar geen moment aan gedacht.”

In de paardenwereld geldt Albert als een compromisloos man, die heel wat sponsors heeft versleten. Heeft Vincent die eigenschap geërfd?

Vincent: „Ik ben wat diplomatieker dan mijn vader. We denken en voelen vaak hetzelfde over dingen, maar ik tel tot tien, waar hij de discussie aangaat.”

Albert: „Ik respecteer dat. En ik weet dat die middenweg meer oplevert; niet voor niets rijdt mijn zoon veel constanter dan ik. Maar ik eet nog liever droog brood, dan dat ik concessies doe.”

U bent nu 53 jaar, maar heeft uw loopbaan nooit officieel afgesloten. Wat wilt u nog bereiken?

„Enige tijd geleden kreeg ik het aanbod om een talentvol paard op te leiden. We doen het aardig samen, maar de tijd moet leren of we een topniveau kunnen bereiken.” Albert Voorn buigt voorover, slaat geëmotioneerd de handen voor zijn gezicht en fluistert dat hij graag met zijn zoon in het Nederlandse team zou willen rijden. „Dat zou een wonder zijn.”

Wat raakt u zo?

„Het is zijn droom”, komt Vincent tussenbeide. „En als je niet meer droomt, houd je op met leven.”

Albert: „En er is nog iets anders. Mijn gedrag levert altijd veel kritiek op. Dan geeft het voldoening om met een goed resultaat mijn gelijk te halen.”

Albert en Vincent verkleden zich voor de foto. Even later verschijnt de laatste in de rijbroek die hij sinds Hongkong niet meer heeft gedragen. Toeval? Hij beweert van wel. „Het was het laatste schone exemplaar in de kast.”