Na twee jaar rest alleen nog zwart werk

Spanje telt bijna 4 miljoen werklozen en heeft de hoogste jeugdwerkloosheid binnen de Europese Unie. „Bijna al onze vrienden zijn werkloos”, zegt een 33-jarige vrouw.

Ze leerden elkaar kennen op de werkvloer. Zij solliciteerde als telefoniste bij de klantenservice van de Spaanse telefoongigant Telefonica. Hij werkte haar in en controleerde of zij haar werk goed deed. De liefde beklijfde en dit jaar gingen Rubén Bustos (28) en Pilar Fernández (33) samenwonen. Toen hun werkgever vanwege de diepe crisis in Spanje honderden mensen ontsloeg, raakten de twee collega-geliefden deze zomer ook samen werkloos. Hij in augustus. Zij een maand later.

Ze zijn niet de enigen. Spanje telt bijna 4 miljoen werklozen, oftewel 19 procent van de beroepsbevolking. Binnen de Europese Unie ligt dit percentage alleen in Letland nog iets hoger. De jeugdwerkeloosheid (tot 25 jaar) is binnen de EU ongeëvenaard: ruim 42 procent. Hardst getroffen sector zijn de bouw – door het uiteenspatten van de vastgoedzeepbel – en de dienstensector – door de terugval in het toerisme en de sterk afgenomen klandizie in de horeca.

Vandaag verlaten Bustos en Fernández gezamenlijk het arbeidsbureau in de Madrileense wijk Goya. Ze moesten zich melden voor hun werkloosheidsuitkering. Deze bedraagt nu 650 euro voor Fernández en 900 voor Bustos. Voor ze hun baan verloren, was hun gezamenlijk inkomen ruim 2.000 euro, vertellen ze in een café aan de overkant van de straat.

Voor ze ontslagen werden, betrokken ze in de wijk Legazpi een tweekamerflat. De huur is 650 euro voor 30 vierkante meter. Zij heeft nog een dochtertje. Het meisje van zeven woont bij haar vader in Valladoid, maar Fernández haalt haar regelmatig op. „De autorit of een treinkaartje, of nieuwe kleren, het kost allemaal geld.”

Bovendien betaalt ze steeds vaker rekeningen voor haar moeder, die halve dagen werkt. „Zij vulde dit aan door kamers te verhuren, maar dat lukt door de crisis niet meer: er zijn geen nieuwe huurders. Laatst hadden ze al bijna de elektriciteit bij haar afgesloten.”

Het stel bespaart vooralsnog vooral op restaurants en uitgaan. Bustos: „En we kopen bijvoorbeeld geen originele dvd voor 10 euro in de winkel, maar halen er een op straat voor 2,50.” Ze denken erover om hun parkeerplaats op te geven, of de auto gewoon maar helemaal weg te doen. Of hun mobiele telefoons en vaste telefoonlijn. Ze hebben al een tragere internetverbinding genomen.

Over de aanpak van de crisis door de regering, zijn ze niet enthousiast. „Die komt een beetje laat. Bijna al onze vrienden zijn inmiddels werkloos”, zegt Fernández. Sommigen hebben ze zien vertrekken naar het buitenland. Frankrijk, Italië, Ierland. Anderen zijn teruggekeerd naar de kleinere steden en dorpen waar ze oorspronkelijk vandaan komen. „Daar vergrijst de bevolking en zouden juist mensen nodig zijn. Er zijn dorpen die je zelfs een woning aanbieden als je er komt werken, hebben we gehoord.” Vooralsnog lijkt zo’n verhuizing naar het platteland hun te riskant.

Beiden hebben bij het arbeidsbureau wel aangegeven dat ze overal in Spanje of daarbuiten aan de slag zouden willen. ,,Maar er zijn gewoon geen vacatures”, zucht Bustos. „Zelfs niet voor banen ver onder ons niveau.”

Beiden zijn hoog opgeleid: hij rondde twee masters af, geschiedenis en linguïstiek. Zij is afgestudeerd in informatica. Na de studie lukte het een enkele keer om een baan te vinden die aansloot bij de opleiding, maar veel vaker betrof het werk dat daar niets mee te maken had. Het was daarnaast bijna altijd werk op basis van tijdelijke contracten.

Spanje is in de EU kampioen tijdelijke contracten. Ruim 32 procent van de werknemers heeft een contract voor bepaalde tijd: twee keer zo veel als het Europees gemiddelde. Deze flexibilisering werd ingezet na het Francotijdperk toen Spanje een grote economische inhaalslag moest maken. Ze is daarmee zowel het werk van regeringen van de linkse PSOE (nu aan de macht) als van de rechtse PP (momenteel in de oppositie). Dankzij de toestroom van immigranten waren de afgelopen jaren voldoende mensen te vinden voor tijdelijke banen. Nu staan ook de immigranten langs de kant.

Zelfs al zouden Bustos en Fernández hun oude baan terug kunnen krijgen, ze zouden nu veel minder betaald krijgen. Zoals meer bedrijven heeft hun werkgever de salarissen aangepast aan de crisis. „Kreeg ik eerst 15.000 euro per jaar, nu is dat nog maar 12.000”, zegt Bustos. „En ik zou in plaats van 12.000 euro 10.000 krijgen”, aldus Fernández.

Tussen het zoeken naar een baan door, proberen beiden te freelancen. Haar lukt het om wat bij te verdienen met ontwerpen van internetpagina’s. Maar ook die markt is erg moeilijk. „Bedrijven hebben geen geld voor een nieuwe site. Ze willen alleen de huidige vernieuwen of uitbreiden.” Hij is vorige maand met vrienden een uitgeverij in e-books begonnen. „Nu zijn de apparaten hiervoor nog niet erg populair. Maar mochten ze dat worden, dan zijn wij alvast actief.”

Totdat hun activiteiten meer opleveren, of de arbeidsmarkt weer aantrekt, houden ze hun adem in. Hun uitkering zal elke maand lager uitvallen, en in het voorjaar ophouden. In de praktijk betekent dit dat ze terugvallen op familie of caritas. Of op zwart werk: Spanje kent zoals alle Zuid-Europese landen een grote informele economie, naar schatting zeker een vijfde van het bruto binnenlands product. Bustos: „Als we dan nog geen werk hebben, komt het simpelweg neer op overleven.”

Dit is het tweede deel van een serie waarin correspondenten van NRC Handelsblad beschrijven hoe de werkloosheid hun land raakt. Het eerste deel verscheen op 5 december.

    • Merijn de Waal