'Ik zie mezelf als een viool vol klanken'

Toneelacteur Jeroen Willems speelt vooral in theaters buiten Nederland „Dat is toch de vervulling van een jongensachtige Hollywood-droom.”

Rotterdam, 08-12-09. Jeroen Willems, acteur/regisseur. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Het is nog maar zelden dat acteur, zanger en filmspeler Jeroen Willems (Heerlen, 1962) in Nederland is. Afgelopen week begeleidde hij de voorstelling Casino door het gezelschap Norfolk in de Rotterdamse Schouwburg. Hij deed de eindregie. De spelers van Norfolk zijn afkomstig van de Toneelacademie Maastricht, dezelfde opleiding waar Willems in 1987 afstudeerde.

Dit markeerde het begin van een belangrijke nationale en vooral internationale carrière. In Nederland was Willems vijftien jaar verbonden aan het gezelschap Hollandia van regisseur Johan Simons. In 1991 werd hij landelijk bekend dank zij de film Bij nader inzien naar de gelijknamige roman van J.J. Voskuil.

Met zijn veelvuldig bekroonde solovoorstelling Twee stemmen (1997) speelde Willems in Duitsland, Frankrijk en Amerika. In 1994 verwierf Willems de Louis d'Or voor zijn rol in La Musica Twee en voor zijn theaterconcert Brel, de zoete oorlog.

Vanavond speelt hij in de Schiffbau Halle in Zürich de voorstelling Quartett van Heiner Müller, samen met filmster Barbara Sukowa. Regisseur Barbara Frey, met ingang van 2009-2010 artistiek leider van het Schauspielhaus Zürich, vroeg Willems en Sukowa met haar regie van Quartett een feestelijke bijdrage te leveren aan het nieuwe theaterseizoen.

U treedt de laatste jaren veelvuldig in het buitenland op, meer dan in Nederland. Wat trekt u aan in een internationale carrière?

„Eigenlijk is het vanzelf gegaan, ik heb er niet bewust op aangestuurd. Ik werd gevraagd mijn solo Twee stemmen in Duitsland op te voeren. Ik wilde dat per se in het Duits doen, en niet in het Nederlands met boventiteling. Dan zien toeschouwers slechts de halve voorstelling. Je zit maar naar die tekstbalk te turen. Van het een is het ander gekomen. Daarna heb ik de voorstelling ook in Frankrijk en New York gebracht. Ik leerde de tekst zowel in het Frans als Amerikaans, maar bestudeerde overdag altijd de oorspronkelijke tekst. Dan kwam ik er weer achter hoe de flow in het Nederlands is, en die probeerde ik in een andere taal te behouden.”

Van de voorstelling ‘Casino’ heeft u de eindregie. Hoe gaat dat?

„Dit is niet mijn eerste regie, eerder deed ik de voorstelling Lange Lies, Lange Jan over de vrouwen van Limburgse mijnwerkers. Mijn moeder deed eraan mee. Ook maakte ik bij Hollandia Ach Deken! Deken ach! over de verlichte schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken in het kerkje van Ruigoord. Bij Casino doe ik slechts de eindregie, dat betekent dat ik vooral aanwijzingen voor het spel geef. Natuurlijk heb ik de neiging als acteur veel voor te spelen, maar dat is niet de goede methode. Dan gaan de acteurs mij imiteren. Soms speel ik iets voor als ik niet de woorden kan vinden om uit te drukken wat ik graag op de vloer zou willen zien. Daarom regisseer ik graag en zal het in de toekomst meer gaan doen. Regisseren dwingt me om intuïtie te verbaliseren.

„Toch moet elke acteur voor zichzelf uitvinden hoe hij of zij een verhaal vertelt, hoe elke scène past binnen het grotere geheel. Dat is voor mij van wezenlijk belang, zowel als ik zelf repeteer en speel of als ik regisseer: het bewustzijn dat je een spanningsboog moet volhouden, of die nu een uur duurt of drie uur. Een uitvoering moet een kloppend geheel zijn, waarbinnen elke handeling onmisbaar is en noodzakelijk bijdraagt aan het verhaal.”

U komt uit een toneelgezin. Heeft u dat gevormd?

„Mijn vader was docent drama aan de middelbare school in Heerlen en mijn moeder speelde toneel. Ze waren allebei professioneel geschoold. De repetities vonden plaats bij ons in de woonkamer. Als kind zat ik met mijn zuster Luutgard, die ook aan het toneel is gegaan, bovenaan de trap. We luisterden naar de toneelstemmen. Met de andere kinderen gingen we dan in optocht naar beneden om ook aandacht te krijgen. We wilden het podium proeven.

„Mijn vader is op jonge leeftijd overleden, ik was vijftien. Pas vanaf mijn zeventiende begon de toneelkoorts zich echt aan te dienen.”

Hoe uitte zich dat?

„Ik ben toneel gaan spelen uit een sterke muzikale impuls. Ik wilde de klank en de muzikaliteit van woorden proeven, ondergaan en vervolgens uitdragen. In Twee stemmen gebruik ik teksten van Pasolini. Die vind ik geweldig, ik was bijna jaloers op zoveel scherpe gedachten. Als je deze teksten als acteur vormgeeft en zelf uitspreekt, krijgen ze een extra dimensie. Pasolini maakt met zijn poëzie het gruwelijke draaglijk, dat doen alle grote schrijvers. In De val van de goden naar de film The Damned van Visconti vertolk ik een duivelse, gedegenereerde nazi. Hij symboliseert het kwaad, ik probeer daar in mijn spel het goede tegenover te stellen. Zo ontstaat voor mij theater dat betekenis heeft.”

U zegt dat muzikaliteit van groot belang is. Bent u daarom de liederen van Jacques Brel gaan zingen?

„De ontroering die muziek teweeg kan brengen, verbaast me altijd. Als een componist de noten naar beneden laat gaan, dan denk ik meteen aan liefdesverdriet, aan droefenis. Dat is het grote raadsel van muziek.

„In mijn versie van Brels chansons, overigens in Nederlandse vertaling, probeerde ik muziek en theater samen te brengen; ik noemde mijn optredens dan ook theaterconcerten. Ik wilde de liederen oprecht vertolken, als een acteur.

„Muziek treft me vaak meteen in het hart, rechtstreeks. Soms had ik het idee dat zijn chansons als toneelteksten zijn. Ik identificeerde me met de personages die hij opvoert, zoals de wanhopige geliefden in Orly dat bij ons Schiphol heet en De radelozen ofwel Les Désespéres. De chansons van Brel interpreteer ik vanuit het theater.

„Alle goede toneel is gecomponeerd als muziek. Ik zie mezelf als een viool met kleuren en klanken. En daarop vertolk ik dan mijn karakters. Het beginpunt is dus de muziek.

„De reden dat de samenwerking met de Zwitserse regisseur Christoph Marthaler zo goed gaat, heeft met die muzikaliteit te maken. Marthaler bouwt met liederen en muziek zijn voorstellingen op, vaak weet je niet eens waaraan hij werkt. Wordt het een liederenrecital, een concert of toch theater?”

Mede door uw internationale carrière bent u voor de Nederlandse toneelbezoeker vaak onzichtbaar.

„Ja, maar ik ben wel in beeld, in films. Ik speel in Komt een vrouw bij de dokter, in Stellenbosch. Ik speelde in Zomerhitte en tal van films. In 2010 kom ik als koning Willem II in de televisieserie De Troon. Bovendien kom ik in maart met Twee stemmen in de Amsterdamse Stadsschouwburg en de echte liefhebbers kunnen me in Parijs zien, in Théâtre Nanterre-Amandiers, ook met Twee stemmen, ofwel Deux voix. Maar ik beloof dat ik zoveel mogelijk toch ook weer in Nederland wil spelen. Anderzijds, op internationale podia spelen is ook zoiets als de vervulling van een jongensachtige Hollywood-droom.”

U heeft met uiteenlopende regisseurs gewerkt, naast Johan Simons ook Marthaler en Barbara Frey van het Schauspielhaus Zürich. Zijn er opmerkelijke verschillen?

„Door het werk met Duitstalige regisseurs en ook omdat Johan Simons verbonden is aan de Kammerspiele in München, ben ik vertrouwd geraakt met het Duitse repertoiremodel. Dat betekent het vasthouden gedurende jaren achter elkaar van voorstellingen. Ik ben nu beschikbaar voor maar liefst vijf producties, waaronder Twee stemmen, Drei Farben uit München en Quartett.

„In Nederland speel je soms dertig, veertig voorstellingen achtereen. Als een voorstelling niet goed gaat op de ene avond, dan kun je makkelijk ‘s morgens tegen jezelf zeggen: ‘Vanavond gaat het wel goed.’ Spelers gaan ook snel op de automatische piloot. In Duitsland speelt je na een première vaak een tijdlang niet, en dan moet je na drie weken opeens op. Dat geeft een enorme energie, dat houd je als acteur alert en dat maakt de uitvoering fris.

„Bij film en televisie is het natuurlijk anders. Je speelt nooit het verhaal als geheel, uitsluitend in fragmenten. Je repeteert eigenlijk nauwelijks. De beste repetitie is die voor de camera. Dan is het vaak al te laat, of net niet goed. Film zou persoonlijker, scherper en artistieker kunnen in Nederland, minder geschoeid op de Amerikaanse leest van het realisme. Daar ben ik niet van geporteerd.”

Wat is uw bezwaar?

„Ik huiver van de vraag naar het autobiografische gehalte van een rol. Dan krijg je vragen als: „Wat voelde u toen u dat speelde?” Of: „Wat ging er door u heen?” Ik houd niet van acteurs die zich door hun spel laten meeslepen. Acteren heeft niets met die hang naar realisme te maken, met die drang echt te zijn. Een persoonlijke ervaring is nooit de maatstaf voor een toneelrol. Het blijft altijd je verbeelding die inspireert tot theaterrollen, tot emoties die ook voor de toeschouwer raak moeten zijn, zoals muziek: raak in het hart.”

Casino door Norfolk. Eindregie: Jeroen Willems. Rotterdamse Schouwburg. T/m 23/12. Inl.: www.rotterdamseschouwburg.nl

    • Kester Freriks