Het einde van de vrije zee

Om de vrije doortocht naar Indië te verdedigen schreef de jonge Hugo de Groot een vlammend pamflet: Mare Liberum. 400 Jaar later is dit vrije zeerecht zwaar omstreden. Folkert Jensma

Het echte werk deed hij vooral in zijn appartement in Zuid-Frankrijk, met uitzicht op de Middellandse Zee. Kilometers blauw zag hij, vanachter de keukentafel waarop het bronnenmateriaal van Hugo de Groot was uitgespreid. Eindelijk rust en tijd om een betrouwbare editie te maken van Mare Liberum (1609), het boek dat het beginsel van de vrije zee – en dus vrije koopvaart en visserij – internationaal vestigde.

Eind 2007 werd de rechtshistoricus Robert Feenstra (89) gevraagd of hij niet nog een ‘leuk ideetje’ had voor een Hugo de Groot-herdenking in 2009. Binnen twee minuten beloofde hij een revisie van Mare Liberum te maken. Achteraf ‘iets te snel’ zegt hij nu. De vermoedelijk oudste nog werkende juridisch hoogleraar in Nederland verplichtte zich tot een groot project, ook nog met een harde deadline. Gisteren moest het af zijn en het wás ook af. Er ligt nu een rijk geïllustreerde facsimile van de Latijnse tekst, met Engelse vertaling, herzien bronnenmateriaal en notenapparaat. Met een historische inleiding van Jeroen Vervliet, directeur van de bibliotheek in het Vredespaleis. Gisteren werd het boek gepresenteerd, tijdens de laatste dag van een groots opgezet Mare Liberum festival in Den Haag.

LATIJN

De rechtshistoricus Feenstra is een veteraan, ook van herdenkingen van het 17de eeuwse wonderkind, jurist, theoloog, dichter, humanist en grondlegger van het internationale publiekrecht Hugo de Groot – Grotius in het Latijn. Feenstra’s eerste Grotius-herdenking was in 1945, toen hij student in Zwitserland was. Nadien heeft hij nog heel wat kransen helpen leggen. Hij werd hoogleraar in 1949, eerst in Utrecht en daarna, vanaf 1952 in Leiden.

Feenstra personifieert het Romeins recht, een gevreesd vak onder zijn (Leidse) studenten. Niet in het minst door de persoon Feenstra, die er vanuit mijn collegebankje in 1977 nogal intimiderend uitzag. Van dichtbij en 32 jaar later is hij een stuk toegankelijker. Voor Uitgeverij Brill, waar we elkaar ontmoeten, staat zijn Renault Twingo, waarmee hij ook naar Frankrijk rijdt. Hij nam nooit meer dan honderd kilo boeken, kopieën en oude folianten in één keer mee. „Anders werd het me te zwaar.” Een boekenkist op wielen dus, met deels dezelfde inhoud als de mythische kist die Hugo de Groot naar Slot Loevestein vergezelde. Althans, dat stel ik me voor. Feenstra is een ‘bronnenman’, die precies nazocht uit welke boeken Hugo de Groot citeerde en of dat ook tot op de letter klopte. Precisiewerk dus.

In de bibliotheek van de jonge Hugo de Groot in 1609 moeten al een paar honderd titels hebben gestaan, schat Feenstra. In 1993 reviseerde hij al het omvangrijker De Iure Belli ac Pacis van Hugo de Groot, ‘Over het recht van oorlog en vrede’. En hij werkte mee aan een reconstructie van De Groots bibliotheek, op basis van de summiere inventaris die bij zijn arrestatie in 1618 werd gemaakt. Daardoor wist hij vaak al wie De Groot citeerde, waar die boeken nu werden bewaard en hoe hij aan kopieën kon komen. „Anders was ik hier nooit aan begonnen.”

Uiteindelijk produceerde hij bij de 68 pagina’s van Mare Liberum zo’n 200 noten, waarin hij de verwijzingen van De Groot zo nauwkeurig mogelijk op editie, pagina of kolom terugbracht. Daarbij zette hij allerlei historische vergissingen en incidentele stommiteiten recht. Soms van Hugo de Groot zelf, soms van degenen die zijn handschrift kopieerden voor de eerste druk en vaker van al diegenen die sindsdien de tekst heruitgaven.

Hugo de Groot blijkt zelf met grote regelmaat noten van andere auteurs te hebben overgeschreven, zonder het oorspronkelijke werk te hebben ingezien. Dat deed Feenstra nu wel, achter z’n Franse keukentafel. Hij verwijderde zo 400 jaar ‘ruis’ uit de tekst. Zo weten we dus nu dat Hugo de Groot op bladzijde 4 ‘Alex.’ schreef en daarmee Alexander Tartagnus bedoelde. En niet ‘Alc.’ wat voor Andreas Alciatus stond. Nieuwe, tamelijk exclusieve kennis, die ook weer vragen oproept. Hoe origineel was Hugo de Groot eigenlijk zélf in Mare Liberum? Andermans noten ongezien overnemen is naar hedendaagse maatstaven geen blijk van grote betrouwbaarheid. En wat is of was de invloed en betekenis van dit boek, dat er 400 jaar na dato nog zoveel bibliografische precisie in wordt gestopt?

TRAKTAAT

Mare Liberum is bij nadere inspectie vooral een beknopt politiek traktaat, een eenzijdig juridisch pleidooi waarvoor stevig werd geleund op tijdgenoten. Geschreven door een briljante, jonge advocaat in opdracht van een machtige cliënt die in een oorlog was verwikkeld. En tegelijk het laatste hoofdstuk van een veel substantiëler werk dat nooit in die vorm werd gepubliceerd, omdat het politiek niet meer uitkwam.

Wat was er gebeurd? In 1604 vroeg de Verenigde Oostindische Compagnie aan de toen 21-jarige De Groot om de inbeslagname van de Santa Catharina, een 1.500 ton metend Portugees schip met 700 opvarenden, in de Straat van Malakka juridisch te verdedigen. Het schip met lading had de VOC 3 miljoen gulden opgebracht. En daar was binnen de VOC enige deining over ontstaan. Hoe leggen we uit dat particuliere kaapvaart moet kunnen, ook aan onszelf? In dergelijke gevallen wordt juristen gevraagd om het volkenrecht te duiden of eventueel snel uit te vinden. Ongeveer zoals het Nederlandse kabinet in 2003 advies vroeg. Was meedoen aan de Irak-oorlog volkenrechtelijk te legitimeren of niet?

De Groot pakte het groot aan en schreef tussen 1604 en 1609 een werk onder de titel De Iure Praedae – Over het Buitrecht. Daarin betoogde hij op basis van het natuurrecht dat ieder mens het recht heeft om zichzelf te beschermen. En dat daaruit het recht op private oorlog en buitmaken afgeleid kan worden. De kaping van de Santa Catarina was ook gelegitimeerd door allerlei wandaden die de Spanjaarden en Portugezen pleegden. En het Spaanse monopolie op de handelsroute naar Indië bestreed hij vanuit de gedachte dat de zee net als de lucht een ‘res communis’ is. En dus niemands eigendom kan worden.

Ook op handeldrijven met een bepaalde regio kan geen exclusief recht gevestigd worden, net zo min als op nieuw ontdekte landen, omdat plaatselijke volkeren daar al rechten uitoefenden. Op vreemde bodem de eigen vlag plechtig planten, of zich beroepen op een pauselijke schenking –– De Groot vond het allemaal niet in overeenstemming met het natuurrecht. Voor de scheepvaart introduceerde hij het begrip ius navigandi – het recht om vrij te mogen varen.

WAPENSTILSTAND

Maar toen De Groot het allemaal op papier had, waren de strijdende partijen net het conflict moe en kwam er een wapenstilstand en (later) het Twaalfjarig Bestand. In dat klimaat schikte het niet om de Santa-Catharinakwestie nog eens flink op te rakelen. De gedachten uit De Iure Praedae verwerkte De Groot in 1625 in een ander boek: De Iure belli ac pacis. Ruim nadat hij in ongenade was gevallen, uit Loevestein ontsnapt en naar Frankrijk gevlucht. Het boek over het Buitrecht raakte zoek en kwam pas in 1864 uit een nalatenschap tevoorschijn.

In 1609 was een beperkter pleidooi tegen exclusieve aanspraken op de zeeroute naar Indië politiek wel in te passen. En dus greep De Groot, toen 26, in zijn kist en maakte hoofdstuk XII persklaar, Mare Liberum. Er was één probleempje. De Groot was bij de Republiek in dienst gekomen. En diezelfde overheid was net met Spanje aan het onderhandelen. Het Spaanse monopolie op de Indiëroute bleek onbespreekbaar. De Groot mocht publiceren, maar mocht ‘geen lelijke dingen over de Spanjaarden schrijven’, zegt Feenstra. Een verwijzing naar de Spaanse kolonies in Amerika streepte hij door. Naar Feenstra en Vervliet aannemen onder druk van Van Oldebarneveldt. Die streep staat er nog. En zijn naam moest van het schutblad. Zo verscheen Mare Liberum als een anoniem pleidooi voor de vrije zee. Daarin werd de vrijheid van de zee ‘tot aan de vloedlijn’ van de kuststaat verdedigd.

Hoewel geschreven om de route naar Indië open te breken, speelde Mare Liberum ook al snel een rol in visserijgeschillen met Engeland. Het werd in het Engels vertaald en De Groot kreeg tegenspraak uit Londen. De Britten wilden best toegang tot de specerijenroutes, maar rekenden de eerste mijlen onder de eigen kust tot het eigen domein. Hollandse haringvissers waren er niet welkom. Het concept van territoriale wateren omarmde De Groot pas in De Iure Belli ac Pacis. Jeroen Vervliet: “Daarover is gebakkeleid tot in 1619. Het boek kreeg ineens een heel andere bestemming, anders dan de vaart op de oost, waarvoor het geschreven werd. Daarmee heeft het de basis gelegd voor zoveel meer zaken die de zee betreffen.” Tot vandaag wordt in internationale geschillen in het Vredespaleis Mare Liberum aangehaald, weet Vervliet. Onlangs nog in een geschil over rotseilandjes tussen Maleisië en Singapore dat in 2008 werd beslecht.

De juridische conflicten op zee gaan allang niet meer alleen over koopvaardij. De thema’s van nu zijn aanspraken op de zeebodem (gas en olie), visrechten op de oceanen en milieubescherming. Methoden van internationale demarcatie zijn nu juridisch hot. Staten die op zee iets willen claimen, tegenhouden of afdwingen hebben letterlijk juridische ankerpunten voor hun pleidooien nodig. Die worden gevonden bij Hugo de Groot. Vervliet wijst tevreden naar de nieuwe editie: “Dan hebben we nu dus een goed bronnenboek”.

VRIJE VOLLE ZEE

Dat erkent ook Fred Soons, hoogleraar publiek recht in Utrecht en directeur van het Nilos (Netherlands Institute for the Law of the Sea). Het beginsel over ‘de vrije volle zee’ “is nog volledig in leven”. Aan Mare Liberum wordt “nog wel” gerefereerd. Maar de “reikwijdte is enorm ingeperkt. Hugo de Groot zou dit rechtsdomein niet meer herkennen”. Al was het maar omdat de ‘vrije volle zee’ geografisch nog maar 40 procent van het totale wateroppervlak beslaat. De rest is deel van territoriale wateren en valt daarmee onder de kuststaten. Sinds het VN-zeerechtverdrag van 1982 heeft een kuststaat het recht om tot 12 mijl vanuit de kust rechtsmacht uit te oefenen. Schepen uit andere landen hebben er het recht op ‘onschuldige doorvaart’. Daarbuiten begint een 200 mijlszone die de kuststaat exclusieve economische rechten geeft.

“Wat Hugo de Groot is voor het recht op de vrije volle zee, is Cornelis van Bijnkershoek (1673-1743) voor de territoriale wateren”, zegt Soons. Die werden aanvankelijk tot 3 mijl beperkt, de afstand die ruwweg met een kanonschot kon worden overbrugd. Maar inmiddels worden er al territoriale rechten op de zeebodem geclaimd tot 500 mijl vanuit de kust, zegt Soons. Hij herinnert aan de ‘publiciteitsstunt’ van de Russische marine die in 2007 met een kleine onderzeeboot een vlaggetje op de zeebodem onder de Noordpool neerliet. Om zo alvast aanspraak te vestigen op eventuele gas- en olievoorraden.

Het belangrijkste element in die ‘vrije zee’ van Hugo de Groot was dat schepen uitsluitend onder de rechtsmacht van de vlaggenstaat vallen. Andere landen mochten niet interveniëren in wat zo’n schip op die volle zee precies uitvoerde. Volgens Soons staat dat beginsel nog steeds, maar begint het wel minder houdbaar te worden door grootscheeps misbruik van ‘goedkope vlaggen’. Zwakke landen verhuren hun vlaggen aan opportunistische reders. Die vervoeren dan met onveilige tankers goedkoop olie. Of ze vissen de oceanen leeg. “Die vrijheid van Hugo de Groot werkt alleen als de vlaggenstaten hun verantwoordelijkheid nemen”, zegt Soons. Varen onder goedkope vlag valt eenvoudig te regelen bij advocatenkantoren in New York. In de hoofdstad van het land wordt het geld dankbaar geïncasseerd en verder nergens naar omgekeken.

VISVANGST

Behalve vlagmisbruik zijn er ook landen die illegale visvangst op de ‘vrije zee’ of in andermans kustwateren door de eigen diepzeevloten gedogen. Voorbeelden zijn Spanje, Japan, Korea, Rusland, China – van deze landen is bekend dat ze binnen de exclusieve 200 mijlszone van arme of zwakke kuststaten hele vispopulaties wegvangen. Aangenomen wordt dat de moderne Somalische kaapvaart door werkloos gemaakte kustvissers bedreven wordt. Dit grootschalig leegvissen “is één van de grote kwesties” in het zeerecht, zegt Soons. Het beheren en conserveren van visbestanden valt volgens hem niet mondiaal te regelen, op VN niveau. De kwestie is net zo regionaal als de meeste visbestanden zelf, zegt Soons. Daarom zijn er her en der ook regionale fishing committees opgericht. Die dekken alleen niet al het wateroppervlak. Rond Afrika, in de Indische Oceaan en de Stille Oceaan zijn nog vele witte plekken. Daar varen de fabrieksvloten van zwakke of opportunistische vlaggenstaten rond. Dat daar niets aan wordt gedaan, wijt Soons aan de ‘veel te grote economische belangen’ bij de visexport.

En: “Ze verschuilen zich achter Hugo de Groot.” Soons zegt onder zeerechtjuristen vaker de opmerking ‘We must bury Grotius’ te horen. “Als het gaat om natuurbeheer, dan wordt het hoog tijd dat er een einde komt aan dit relict van Mare Liberum”, zegt hij. Ook vrijheid van de zee kan dus alleen in gebondenheid werken. En die wordt groter. Het beginsel van ‘non-interventie’ tegen deze vrije, maar vis rovende schepen zou dan wel eens niet langer gerespecteerd kunnen worden. “Die drempel is nu nog hoog, maar wordt steeds lager”, waarschuwt Soons.

Mare Liberum Hugo Grotius Original Latin Text and English TranslationEdited and Annotated by Robert FeenstraGeneral Introduction by Jeroen VervlietBrill Acad. Publishers, .- Bij uitgeverij Jongbloed is onlangs ook een editie verschenen met een Nederlandse vertaling door Arthur Eyffinger: De Vrije Zee - Mare LiberumOriginele Latijnse tekst en Nederlandse vertaling .uitg. Jongbloed, € Die laatste editie, met de vertaling van Eyffinger, is ook digitaal door te bladeren op http://www.kb.nl/galerie/mareliberum/index.html