De stelling van John Holmes: militair optreden koppelen aan noodhulp is riskant voor hulpverleners

De noodhulpcoördinator van de VN, John Holmes, was vorige week in Den Haag voor overleg met de Nederlandse regering. Tegen Frank Vermeulen zei hij dat humanitaire hulpverleners zich bewust zijn van de schaduwzijden van het werk.

De VN-noodhulporganisatie wil dezer dagen op de klimaatconferentie in Kopenhagen de aandacht vestigen op het feit dat klimaatverandering ook humanitaire gevolgen heeft.

„Ja, de klimaatverandering is nu al merkbaar in de vorm van meer en ernstiger natuurrampen. Met als mogelijke gevolgen migratie en conflicten. Klimaatverandering is niet een probleem in de toekomst. Het is nu al een reële situatie voor veel landen, in termen van meer overstromingen en cyclonen met een grotere kracht. In Kopenhagen gaan de regeringsleiders niet alleen praten over het terugbrengen van de uitstoot van kooldioxide, maar ook over hoe met name ontwikkelingslanden geholpen kunnen worden bij het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Als er een specifieke afspraak uit de onderhandelingen komt over een fonds om de reductie van de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, en dat is waar alles om draait, dan zou een deel van die gelden moeten worden besteed aan het helpen voorkomen van natuurrampen. Niet aan het reageren op rampen. Het gaat volgens ons om het reduceren van het gevolg van natuurrampen voordat zij gebeuren.”

Is dit niet slechts een gelegenheidsargument om aan fondsen te komen voor uw organisatie?

„Je kunt natuurlijk niet van iedere afzonderlijke natuurramp zeggen dat die het gevolg is van klimaatverandering. Maar als we kijken naar patronen, en je kijkt naar rampen die het gevolg zijn van een extreme weersomstandigheid, dan zie je duidelijk een opwaartse lijn. Wat wetenschappers voorspellen is al aan het gebeuren. Ik heb constant een rij ministers uit Afrikaanse en Aziatische landen aan mijn deur die zeggen: we hebben nu al te maken met klimaatverandering. Eerder dit jaar hadden we een conferentie in Genève, gewijd aan het terugbrengen van de risico’s van natuurrampen, en wat opviel was dat de geïndustrialiseerde landen niet echt zichtbaar waren. Maar de ontwikkelingslanden sloegen daar met de vuist op tafel om te benadrukken dat dit een omvangrijk probleem is. Ze hebben nu hulp nodig. Want zij ervaren de extreme droogte of juist de extreme en onvoorspelbare overstromingen.”

U doet alsof u volkomen neutraal bent als het gaat om belangentegenstellingen.

„Ja, we doen niet alleen alsof, we zijn ook volkomen neutraal. We moeten wel.”

Maar is dat geen fictie? Humanitaire hulpverleners worden in toenemende mate doelwit van geweld in conflictgebieden. Dat bewijst toch dat strijdende partijen hen als partij zien?

„Het bewijst dat het moeilijk is om als neutraal te worden gezien. Maar het betekent niet dat we niet neutraal zijn. Of dat we dat niet proberen te zijn. Wij reageren louter op menselijk lijden of menselijke nood, en niet op iemands politieke agenda. We kunnen niet werken op basis van voor- of afkeuren van bepaalde groepen mensen. Natuurlijk worden we niet altijd gezien als neutraal. In Afghanistan, Pakistan of Somalië worden we er door sommige groepen van beticht bezig te zijn een politiek agenda uit te voeren, maar die hebben we niet.”

De VN verleent steun aan de regering-Karzai.

Ja, en ik maak ook deel uit van de VN. Maar mijn organisatie heeft die politieke agenda niet. Het is natuurlijk extreem moeilijk om de man met de kalasjnikov in de bergen van dit onderscheid te overtuigen. Maar dat is niet onmogelijk. We moeten dat blijven proberen. Een van de dingen die we aan westerse donorlanden vragen is dat zij humanitaire hulp geen onderdeel maken van hun strategie. We zeggen tegen donorlanden dat die hulp beschouwd moet worden als iets anders, onafhankelijk van hun strategie. Als hulp daarmee geassocieerd wordt, brengen zij de humanitaire hulpverleners in een gevaarlijke situatie.”

Maar is dat niet precies de kern van de Nederlandse ‘3D-strategie’, die militair optreden verbindt aan diplomatie en hulp?

„Er is een verschil tussen noodhulp, waar ik over ga, en ontwikkelingshulp, die Nederland levert in Afghanistan.”

Maar die grens valt toch niet altijd scherp te trekken?

„Natuurlijk is de lijn niet altijd makkelijk te onderscheiden. Maar we móéten het wel doen, anders zijn we gewoon een van de politieke actoren en kunnen we niet overtuigend optreden.”

Neem Sri Lanka. Het leger heeft dit voorjaar de rebellen van de Tamil Tijgers verslagen. Daarna zijn tienduizenden Tamilvluchtelingen door de regering in Colombo opgesloten in kampen. Daar krijgen zij hulp van uw organisatie, die echter zo ook de regering in Colombo helpt. Dus, hoezo neutraal?

„Ja. Dat soort omstandigheden plaatst ons voor dilemma’s. Mensen in die kampen hadden echt hulp nodig. Toen zij uit het oorlogsgebied kwamen, leden zij honger en hadden zij veel medische zorg nodig. Daarna werden zij in kampen opgesloten waarin zij geen bewegingsvrijheid hadden. Het leverde een principiële tweestrijd op: we moesten die mensen helpen onder omstandigheden die tegen onze principes ingingen. Als compromis probeerden we maximaal druk uit te oefenen op de regering in Colombo om de vluchtelingen vrij te laten. En sinds 1 december hebben ze weer meer bewegingsvrijheid.”

Hoe kunt u druk uitoefenen op zo’n regering?

„Ik ben vier keer naar Colombo gegaan. Ik heb gesproken met alle betrokkenen. Je oefent druk uit via de secretaris-generaal. Via je hele netwerk.”

Maar hoe gaat dat dan? Zegt u alleen tegen de president dat het afgelopen moet zijn?

„We moeten natuurlijk oppassen niet erg westers en arrogant over te komen. Via de publiciteit kun je veel afdwingen.”

En dreigen met intrekken van hulp in de toekomst?

„Impliciet doen we dat wel, ja. Want onze donoren zeggen hetzelfde: ‘Als die regering die misstanden laat voortduren, zullen we onze steun intrekken.’ Maar dat argument moet heel voorzichtig worden gebruikt. Want een regering kan eenvoudig zeggen: ‘Prima, neem je geld maar mee en wegwezen.’ Uiteindelijk hebben we in Sri Lanka wel gezegd dat we onder die omstandigheden niet zouden blijven doorgaan met hulp verlenen. Het is een moeilijk argument om te hanteren, want de uiteindelijke slachtoffers zullen niet de leden van de regering zijn, maar de mensen die je wilde helpen.”

Er wordt al jaren een discussie gevoerd over moreel interventionisme. Of staten om humanitaire redenen kunnen ingrijpen in andere staten bij misstanden. Wat rechtvaardigt moreel optreden door een supranationale organisatie als de VN?

„Ik sta op het standpunt dat staten morele actoren zouden moeten zijn. Of ze dat ook zijn, is een tweede. Vaak zijn ze het niet. Maar een internationale organisatie, en in het bijzonder de VN, maakt aanspraak op legitimiteit en universele waarden, en die kunnen alleen gehandhaafd worden door het handelen te baseren op zekere principes. Om zelf een morele actor te zijn. Dat is in het bijzonder het geval op het humanitaire terrein. Daar moeten we alleen handelen op basis van nood en niets anders. Als we dat niet doen wordt hulp alleen maar een ander wapen, zoals diplomatie of macht. En iedereen die dan hulp verleent, wordt een gerechtvaardigd doelwit en dat moeten we vermijden.

„In een conflict moeten we met alle partijen kunnen spreken, of het Al- Shabaab is of de Talibaan. Om uit te leggen wat hun verantwoordelijkheden zijn. Want die hebben zij ook in het licht van internationaal humanitair recht om burgers te beschermen en te respecteren. Maar ook om tegen hen te zeggen: laat ons met rust. We hebben hier geen politieke of veiligheidsagenda. En om dat te bereiken zijn we, als het moet, bereid een dialoog aan te gaan met de duivel zelf.”

Cynici zouden zeggen dat de weg naar de hel geplaveid is met goede bedoelingen.

„Onze bedoelingen zijn goed, maar onze daden ook en we doen geen kwaad. Een goed humanitair uitgangspunt is: doe geen kwaad. Maar we moeten ons bewust zijn van de mogelijke consequenties van onze daden. En ik denk dat we dat zijn. Het hele bedrijf van humanitaire hulp is veel professioneler en een serieuzere aangelegenheid geworden dan het ooit begon. We zijn beter gecoördineerd, georganiseerd en van bronnen voorzien. We zijn nog lang niet perfect, maar we kunnen heel snel reageren als het nodig is.”

Maar juist die professionalisering zorgt ervoor dat mensen vrezen dat humanitaire organisaties voor een belangrijk deel bezig zijn zichzelf te redden.

„Dat risico bestaat inderdaad, denk ik. En het lijkt er ook op als er ergens een ramp gebeurt, en alles komt in een gebied samen. Mensen moeten weten dat het niet een industrie is die er is om zichzelf in stand te houden. En dat je altijd op zoek bent naar geld om jezelf in bedrijf te houden. Mijn drijfveer is zeker dat ik overbodig zou willen zijn, zonder werk. We werken allemaal om aan ons werk een eind te maken, maar ik vrees dat dat punt niet snel bereikt zal worden. Maar om te ontkomen aan de kritiek dat het institutionele eigenbelang een rol speelt, stimuleren we nu de opbouw van lokale noodhulpfaciliteiten in risicolanden zodat zij zelf problemen beter het hoofd kunnen bieden. We zijn niet een soort van internationale helden die in geval van nood opduiken om de toestand te redden. Die internationale brandweermanfunctie blijft wel nodig, maar hoe meer we kunnen overdragen aan nationale hulpverleners, die beter op de hoogte zijn van de lokale omstandigheden en makkelijker hun werk kunnen doen, hoe beter.

Natuurlijk moet iedere niet-gouvernementele organisatie op zoek naar fondsen en dat leidt tot veel betreurenswaardig competitie, en een zekere noodzaak om de situatie uit te buiten om donoren aan te zetten tot schenkingen. Maar dat gebeurt uit oprecht goede bedoelingen en niet om mensen aan het werk te houden.”

    • Frank Vermeulen