De natte natuur is niet welkom

Dijken doorsteken in Zeeland? De ophef erover lijkt even groot als het trauma van het rampjaar 1953. Tegenstanders willen geen concessies doen aan Antwerpse havenbaronnen. Op inspectie rondom de Westerschelde, waar landbouw, industrie en natuur strijden achter hoge dijken.

Je verwacht het niet. Je fietst door het Vlaamse land en pas daar in de verte, achter de koeltorens van de kerncentrales in Doel, aan de andere kant van de grens, daar ligt de Hedwige- polder waarover wij ons in Nederland zo druk maken. De polder, gelegen naast het natuurgebied Verdronken Land van Saeftinghe, die binnenkort naar alle waarschijnlijkheid onder water zal worden gezet. Je fietst met de wind mee in westelijke richting door het Vlaamse land. Dwars door het dorp Doel dat nog altijd niet is gesloopt opdat Antwerpen er weer een nieuw havendok kan bouwen. Dat nog altijd wordt bewoond, zij het door mensen die eruitzien alsof zij er zelf niet helemaal in geloven en als slaapwandelaars over het onkruid lopen of op een bankje naast het kerkhof zijn gaan zitten, alsof zij alleen maar wachten tot zij dood zijn en anderen een steen over hen heen leggen.

Je verwacht het niet en toch is hier, in de Vlaamse Prosperpolder, al gebeurd wat straks de Zeeuwen staat te gebeuren. Borden langs de weg maken gewag van de machtige natuur die hier straks zal heersen, 465 hectare in totaal, waarvan 300 door het onder water zetten van de Nederlandse Hedwigepolder. De Vlaamse autoriteiten hebben al een ‘infokeet’ ingericht met een tentoonstelling vol kleurige foto’s en huiselijke teksten over het toekomstige natuurpark. „Het wonderbaarlijke landschap van het Verdronken Land van Saeftinghe krijgt er een Vlaams broertje bij.”

Maar of de Vlaamse bewoners de natte natuur verwelkomen? Daar lijkt het niet op. Hier wonen mensen die de ongelijke strijd met de overheid al hebben verloren. Jerôme Gillis bijvoorbeeld, voormalige boer en handelaar in bouten en schroeven, gereedschappen, ijzerwaren en batterijen. Hij is elf jaar geleden uit zijn boerderij naar hier vertrokken nadat zijn zoon het bedrijf had overgenomen. Zeven jaar geleden heeft hij de boerderij voor duur geld verbouwd. „Een nieuwe keuken, een nieuwe badkamer, ge kent dat wel.” Twee jaar geleden is hij onteigend. Hij voelt zich bedrogen. „Toen ik deze boerderij kocht, werd mij door de gemeente verzekerd dat deze grond nooit onteigend zou worden. Terwijl ik later heb ontdekt dat in die tijd de plannen al werden gemaakt voor de ontpoldering. Zo gaat men hier met de burger om.” Met het geld heeft hij enkele kilometers verderop een boerderij kunnen kopen waar hij zijn bedrijf wil voortzetten.

Even verderop woont Eddy Voerman, een Nederlander, exploitant van taverne De Schoof. Zijn vrouw zit in duster in de gelagkamer en wuift dat de uitspanning vandaag gesloten is, maar Eddy is wel bereid een toelichting te geven. Hem werd ruim drie jaar geleden onteigening aangezegd. Tegen een vergoeding van slechts 1.200 euro moet hij naar elders. „Dat is veel te weinig om te verhuizen. Ik ben mijn broodwinning kwijt. Ik ben 63 jaar oud. Dat is te oud om een nieuw bedrijf te beginnen.” Hij heeft voor de rechter een hogere vergoeding geëist. „Ik heb toch niet gevraagd om hier weg te gaan? Je kunt mensen toch niet zomaar op straat zetten? En dat allemaal voor de vogeltjes en de bijtjes.”

Over de grens

Over kasseien fiets je de grens over, naar de Hedwigepolder die nog maar kort geleden, in 1907, werd drooggelegd. Hier, naast een weiland met ezels, staan de jonge bomen te wapperen die Nederlandse politici hebben geplant uit protest tegen de ontpoldering. Verdedig de dijken – Ontpolderen nee vermeldt een groot bord. Want, zo was de redenering, de Westerschelde verder uitbaggeren zodat nog langere en diepere schepen de haven van Antwerpen kunnen bereiken, dat is allemaal tot daar aan toe. Maar om ter compensatie van de natuurschade vervolgens Zeeuws land terug te geven aan de golven, het land nota bene dat in 1953 door de Watersnoodramp werd getroffen, dat gaat te ver.

Je fietst over de dijk langs de Westerschelde en kijkt naar de scholeksters en de kluten en de wulpen die met hun snavels in de slikken wroeten. En breekt je het hoofd over hoe het toch mogelijk is dat politici bij hun volle verstand ertoe zijn gekomen om die bomen te planten, de standpunten van de Europese Commissie over de noodzaak tot grootschalig natuurherstel te negeren en de buren tot wanhoop te drijven. Ontpolderen ligt immers voor de hand, hebben we ons laten uitleggen door Peter Herman, hoogleraar estuariene ecologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Ecologie in Yerseke.

De vaargeul naar Antwerpen is ten behoeve van de scheepvaart twee keer verdiept – in de jaren zeventig en de jaren negentig – en binnenkort volgt een derde verdieping. Door al dat baggeren, zegt professor Herman, is de Westerschelde langzamerhand een snelstromend kanaal aan het worden in plaats van een estuarium , een riviermond met rustige plaatsen waar slib en voedsel zich kan afzetten, luwten waar bodemdieren van afhankelijk zijn. Er treedt een „verstarring van het estuarium” op.

Aanhoudende inpolderingen uit de vorige eeuwen hebben de oppervlakte van de Westerschelde in de vorige eeuw met 20 procent „ingesnoerd”. Het ligt dus voor de hand om meer ruimte voor de getijderivier te maken, „de komberging te vergroten”, door polders onder water te zetten. Aldus professor Herman.

Je fietst langs Het verdronken Land van Saeftinghe, waar een enkel groepje natuurliefhebbers wordt rondgeleid, vanaf de dijk gezien zijn ze als vliegen zo klein. Daar staat Walter van Kerkhoven, een gemoedelijke Vlaamse wetlandwachter van Vogelbescherming Nederland. Hij tuurt over de bijna onafzienbare schorren van het natuurgebied langs de zuidelijke oever van de Westerschelde, en ziet op veilige afstand enkele containerschepen passeren. Het contrast is groot, maar we moeten de tegenstellingen niet overdrijven. „Er is geen enkele zeehond die zijn kop opheft als er een containerschip langskomt.” We kuieren naar café Het Verdronken Land en eten koek en soep. Walter van Kerkhoven roemt de kwaliteiten van „het grootste aaneengesloten gebied met brakwaterschorren van Europa” waarin het zoutgehalte zo laag is dat er veel zeldzame planten- en diersoorten voorkomen. Hij vertelt dat het mooi zou zijn als het Verdronken Land zou worden uitgebreid met de Hedwigepolder. Dat hij een warm voorstander van ontpoldering is. En niet begrijpt dat niet meer mensen het belang daarvan inzien. „De verhoudingen zijn zoek. Er zijn hier al zo veel polders verdwenen om er industrie op te bouwen. Daar maakt niemand zich druk om. Maar als polders nodig zijn voor natuur, is de wereld ineens te klein. Terwijl op langere termijn die natuur veel belangrijker is voor de economie dan de industrie. Dit is een uniek gebied, de kraamkamer voor veel vissoorten, en een pleisterplaats voor trekvogels. Daar moet je als een goede huisvader voor zorgen.”

Het klinkt vanzelfsprekend. De natuur is er slecht aan toe en moet worden hersteld. Maar zo wordt het hier in Zeeuws-Vlaanderen allerminst ervaren. Wetenschappers, natuurbeschermers en Haagse ambtenaren hebben gemakkelijk praten. Stap maar eens van je fiets en spreek willekeurige voorbijgangers aan. Bevindt de Westerschelde zich werkelijk in een „zeer ongunstige staat van instandhouding”, zoals Nederland de Europese Unie voorhoudt? Ze kunnen het niet geloven. Ze zetten vrijwel allemaal bij wijze van spreken hun vinger op het voorhoofd als de noodzaak tot natuurherstel aan de orde komt. Ja, er varen lange en diepe schepen naar Antwerpen en dat kun je onnatuurlijk vinden. Maar verder is het water van de Schelde alleen maar schoner geworden, vooral sinds steden als Brussel en Antwerpen hun rioolwater er niet meer ongezuiverd op lozen. Er valt nog behoorlijk veel vis te vangen. En er is de laatste jaren al zo veel natuur langs de oevers bijgekomen! En hoofdschuddend gaan ze weer verder met waar ze mee bezig waren, pratend op de dijk, dikke pieren uit de slikken stekend, bootjes vastmakend aan een kade.

Ga maar eens op de koffie bij Magda de Feijter, aanvoerder van het verzet en oprichter van het actiecomité Red onze polders. Met haar man Nout heeft ze een akkerbouwbedrijf, pal achter de dijk in de Eendragtpolder, ten oosten van Terneuzen. De aardappelen zijn geoogst, de schuren liggen vol. De boerderij is vanaf 1850 in de familie. Magda de Feijter kwam in actie toen de provincie Zeeland bijna vier jaar geleden de Eendragtpolder aanwees als mogelijke locatie om te ontpolderen. Dat zou het einde betekenen van de driehonderd hectare grote polder die in 1777 werd bedijkt, en waarvan een oude kaart uit 1778 in de huiskamer hangt. Magda de Feijter kijkt vanachter de keukentafel recht op de dijk en vertelt dat ze kort na dat bericht een droom heeft gehad. „Ik droomde dat ik met een ambtenaar van het ministerie van Landbouw en Natuur hier aan tafel zat. Ambtenaren op het ministerie willen maar één ding en dat is ontpolderen. Ik droomde dat er een grote golf aankwam die de ambtenaar op de oude zeedijk smakte.” Ontpoldering lijkt haar te worden bespaard. De provincie heeft het zoeken naar locaties in de Eendragtpolder, de Hellegatpolder ernaast en enkele polders aan de overkant van de Westerschelde gestaakt. Maar nu zijn andere boeren de dupe, dus haar strijd gaat door. „Wat ons verbaast, is dat een stelletje boekhouders dan toch aan komt zetten met allerlei cijfers over aantallen kieviten die verdwijnen als de mens iets onderneemt. Dat verlies aan vogels wordt dan gecompenseerd, door van mensen zoals wij iets af te pakken. Wij worden weggejaagd voor de vogels.”

Het onbegrip is groot, bij enkele hobbyvissers van de jachthaven van Griete, vlakbij Terneuzen. Ze leggen hun scheepjes vast en schrobben de aanlegsteiger. En vertellen hoeveel plezier ze hier beleven. „Het is nog nooit zo goed geweest als nu”, zeggen Piet Duerink en George De Scheepmaker. Het water is schoon en de vangsten zijn meestal goed. Kabeljauw en wijting en zeebaars en sprot en garnaal. „Soms vangen we zeven kabeljauwen en soms tien. En elke kabeljauw is drie kilo”, vertelt Duerink. Dus hoezo natuurherstel? Wat de kameraden dwarszit, is eigenlijk alleen de almaar groter wordende schepen. Elke keer als er een containerschip langs vaart, rolt een zware boeggolf het haventje binnen. „Dan staan de kopjes in de kastjes te rammelen.” Om van vernielingen maar te zwijgen. Nee, ze zijn niet dol op de grote containerschepen. Laat men dáár eens iets tegen ondernemen. Huiswaarts keren zij, naar de kabeljauw.

Het onbegrip is aanzienlijk. Waarom ontpoldert het Rijk de Hedwigepolder? En waarom al die andere plannen van de provincie om elders hetzelfde te doen? Bij de voormalige haven van Perkpolder moet een groots project de regio een economische impuls geven. Er komen huizen en ‘deeltijdwoningen’ en een jachthaven, een vijfsterrenhotel en een golfbaan. Maar er wordt ook een bres in de dijk geslagen om 75 hectare landbouwgrond onder water te zetten. Waarom dat laatste? Omdat het moet van Europa? En bij Retranchement, de meest westelijke gemeente van Nederland, wordt het natuurgebied Het Zwin uitgebreid door een deel van de Willem Leopoldpolder onder water te zetten. Zodat een camping verdwijnt en buurman Sjaak de Winne wellicht akkerbouwland moet afstaan. Waar is dat allemaal goed voor? „Deze ontpoldering gaat ten koste van de leefbaarheid van het dorp”, zegt De Winne.

Het onbegrip is enorm. Bij Jan en Miek van Erp, die hun schapenboerderij in Hoofdplaat moeten verlaten omdat er water op hun land zal worden gezet. Tien jaar geleden werden ze ingehaald als een toeristische attractie. Ze hadden zes jaar naar een geschikte locatie gezocht ter vervanging van hun boerderij in het Brabantse Empel bij Den Bosch. Daar moesten ze wijken voor de bouw van een nieuwe wijk. En nu moeten ze weer weg. Ze hadden, vertellen Jan en Miek van Erp aan de keukentafel, hun schapenboerderij met zeldzame rassen graag willen uitbreiden tot een groot park. Zodat je entree kon vragen in plaats van zoals nu drie keer in de week een rondleiding te verzorgen in een huifkar langs de schapenweiden en over de dijk. Een park zou de boerderij exploitabel maken. Maar op de grond naast de schapen moest natuur komen, natte natuur. En daar mogen geen schapen op lopen. „Bij de provincie werkt een schapenhater”, zegt Jan van Erp. „Nou nou”, zegt zijn vrouw Miek. Jan: „Zo is het toch?”

Ruimteschepen

Je hoofd zit vol met het onbegrip van de Zeeuwen en nu wil je zelf weleens varen. Je fietst over de dijk en je ziet de lange schepen, de industriële eilanden die Antwerpen aandoen. Er schiet een liedje door je hoofd dat er de rest van de dag niet meer uit wil, Longer boats are coming to win us, veertig jaar oud, een liedje van Cat Stevens dat niet gaat over de dreiging van almaar groter wordende schepen, maar over ruimteschepen. Hold on to the shore, they’ll be taking the key from the door. Nee, het liedje gaat niet over de Westerschelde, maar het refrein is krachtig en je valt er in een hotelkamer mee in slaap en de volgende ochtend weet je: ik wil varen op zo’n lange boot, ik wil weten wat er waar is van de verhalen dat zulke schepen veel te groot zijn om door een natuurgebied te varen, dat er levensgevaarlijk bochtenwerk aan te pas komt, en dat de haven van Antwerpen veel te ver landinwaarts is gelegen om het pakweg langer dan vijftig jaar uit te houden, dat daarvoor de aan de Noordzee gelegen haven van Zeebrugge veel geschikter is.

En zo sta je korte tijd later op een ochtend in de sociëteit van de Regionale Loodsen Coöperatie in Vlissingen. Die ochtend leggen de loodsen Jan Willem Siewe en zijn collega Guido van Rooij uit hoe goed zij al tientallen jaren samenwerken met de Vlamingen. De Belgen nemen bijna driekwart van het loodswerk op Antwerpen voor hun rekening, de Nederlanders de rest. Waarom de spanningen tussen Nederland en België over de Westerschelde zo hoog zijn opgelopen? Dat weten ze wel. De Vlamingen zijn geprikkeld zodra zij ook maar de minste weerstand bespeuren tegen de ambities van Antwerpen. Gedeeltelijk hebben de Belgen gelijk, zeggen de loodsen, omdat de haven van Rotterdam nu eenmaal een concurrent is die Antwerpen liever niet al te groot ziet worden. Maar ook „heel diep” zit bij de Belgen dat de haven van Antwerpen tweehonderd jaar lang door toedoen van de Hollanders was afgesloten – te beginnen in 1588 tijdens de Tachtigjarige Oorlog, en pas door de Fransen beëindigd in 1795.

Jan Willem Siewe ziet in een verrekijker het schip ginds al komen dat hij vandaag naar de Kallosluis van Antwerpen zal loodsen: de Morning Composer, een tweehonderd meter lang autoschip van een Zuid-Koreaanse reder, met aan boord een groot aantal industriële voertuigen die in het Duitse Bremerhaven zijn geladen. Een boot vaart ons erheen, we klimmen aan boord. Siewe wordt enigszins vormelijk welkom geheten door de eerste stuurman, lid van de 22 man sterke bemanning bestaande uit Koreanen en Filippino’s. Hij pakt zijn tas uit, plugt zijn laptop in en geeft binnen enkele minuten al de eerste koersaanwijzingen. „One one five!” „One two zero!”

Een loodsreis naar de haven van Antwerpen is geen routineklus. „Hier moet je goed opletten”, zegt Siewe als hij de drempel van Borssele nadert, een ondiepte „waar altijd moet worden gebaggerd”. Even later moet hij zich opnieuw scherp concentreren. De Morning Composer wil een vertraagd containerschip inhalen ofwel „oplopen”, liefst in een breed en niet al te moeilijk gedeelte van de route, op een plaats waar bovendien op dat moment weinig ander scheepvaartverkeer is. Het lukt. We varen langs het jachthaventje van Griete, en Siewe schiet in de lach als hij verneemt dat de hobbyvissers zo’n last ondervinden van de boeggolven van dit soort schepen. „Aan dat haventje heb ik echt geen boodschap, hoor.”

Even later passeren we Perkpolder, de voormalige veerhaven waar wellicht een grote jachthaven vol met plezierboten komt. Siewe: „Een ondoordacht, ridicuul plan. Hoe moeten die bootjes straks de Westerschelde op komen? Alsof een voetganger de autosnelweg oversteekt.” De tocht verloopt voorspoedig. Met zeventien knopen koerst de Morning Composer af op Vlaanderen. De kapitein van het schip, de Koreaan Han Gi Cheon, vraagt of Siewe de snelheid wil opvoeren tot 18 knopen. Hij wil vanmiddag nog graag winkelen in Antwerpen, vandaar. In de Bocht van Bath is het weer opletten geblazen. Een tegemoetkomend binnenvaartschip zit mid vaarwater. Siewe belt de schipper op. „Ja hoor, ik had jullie gezien”, zegt deze laconiek. Hij gaat opzij. Siewe schudt het hoofd. „Ik sta hier op de brug met tweehonderd meter schip achter me. De vloed drijft me in deze bocht bovendien enigszins naar bakboord als ik niet ga bijsturen. Dus ik wil wel de ruimte hebben.”

Laatste moeilijke moment is de nadering van de sluis. Twee sleepboten, één voor en één achter, moeten het gevaarte in toom houden. Siewe roept de Union Grizzly op, de sleepboot aan de achterzijde die de vaart uit het schip moet halen.Met vijf knopen manoeuvreert Siewe het schip naar de geul voor de sluis. „Ik laat hem nog even doorbollen”, roept de Union Grizzly. Siewe beent naar de zijkant van de brug. Daar bedient hij de boegschroef en wurmt het ruim dertig meter brede schip in de sluis. „Er gebeuren heel soms ongelukken. Een aantal jaren geleden voer een veerboot tegen de openstaande brug van de Westsluis in Terneuzen. De kapitein stond waar ik nu sta. Die hebben ze moeten uitzagen.”

Het karwei zit erop. We gaan van boord en zwaaien naar de bemanning. Siewe legt uit dat een verdieping van de vaargeul voor Antwerpen van groot belang is. „De haven van Antwerpen heeft als nadeel dat de binnenkomst van veel grote schepen tijgebonden is. In Rotterdam kun je binnenvaren wanneer je wilt. Hier niet. Schepen hebben daar nu soms maar twee uur de tijd voor. Als ze niet op tijd zijn, moeten ze twaalf uur wachten. Met een verdieping van de vaargeul krijgen de schepen niet twee, maar zes uur de tijd.” Antwerpen is en blijft een belangrijke haven, weet Siewe, en suggesties om Zeebrugge belangrijker te maken zijn onzin. „Juist door de diepe geografische ligging in het land is Antwerpen aantrekkelijk om goederen van daaruit over Europa te vervoeren. De haven van Zeebrugge is daar helemaal niet geschikt voor.” Conclusie: het verdiepen van de vaargeul is onvermijdelijk en hard nodig. Dat daarvoor kennelijk natuur moet worden gecompenseerd, het zij zo.

Onnozele zeehonden

En zo sta je weer aan de wal en bedenk je wat een mooi vak loods toch is, goed betaald ook trouwens. Je ziet de lange schepen weer voorbij schuiven. En opnieuw is de vraag wat er toch is misgegaan, dat Nederland een besluit heeft moeten nemen waar slechts een kleine minderheid enthousiast over is. Je staart over de boulevard van Vlissingen en dan ineens herinner je je wat Peter Herman ook alweer zei, de hoogleraar estuariene ecologie. Namelijk dat het debat over de ontpoldering te veel over de natuur is gegaan en te weinig over de „morfologische en ecologische processen” die de Westerschelde tot een estuarium maken. Herman: „Er wordt in documenten van het ministerie van LNV bladzijden lang geschreven over veertig onnozele zeehonden, die in de Westerschelde niets anders doen dan slapen. Waarom geen lange pagina’s over wadpieren? Die zijn even belangrijk om het systeem van het estuarium te behouden. De natuurambtenaren hebben de overhand gekregen.” Daardoor, meent hij, wek je de suggestie dat wij Nederlanders zeehonden en vogels belangrijker vinden dan mensen. Hadden we maar beter gecommuniceerd, zegt Herman. Hadden we het publiek maar duidelijk kunnen maken dat „de enige goede manier om naar de Westerschelde te kijken is te letten op stromingen en bodemleven”.

Zou dat het zijn?

    • Arjen Schreuder