Brüderle: een man van het goede leven

Wolfgang Schäuble en Rainer Brüderle bepalen het economische welslagen van de nieuwe Duitse regering. Hun politiek zal gevolgen hebben voor heel Europa. Wie zijn ze en wat willen ze?

Van Rainer Brüderle, sinds enkele weken minister van Economische Zaken van Duitsland, wordt gezegd dat hij een goed glas wijn weet te waarderen. Die wijn moet bij voorkeur afkomstig zijn uit zijn geboortestreek, rond Landau in Rijnland-Palts, een gebied vermaard om zijn culinaire kwaliteiten. Het ligt tegen Frankrijk aan. Brüderle is net als Schäuble van oorsprong een ‘grensganger’; een man die Europees bloed heeft.

Rainer Brüderle (64) was jarenlang minister in de deelstaat Rijnland-Palts. Hij was verantwoordelijk voor de economie, het verkeer, de boeren en... de wijnbouw. Door zijn haast on-Duitse bonhomie zet hij soms mensen op het verkeerde been. Brüderle is een messcherp politicus. Hij beheerst het spel van de macht tot in zijn vingertoppen. Hij ontbeert het charisma waarover zijn politieke baas, Guido Westerwelle, wel beschikt. Het liberale lijsttrekkerschap en daarmee het ambt van vicekanselier, hebben er voor hem nooit ingezeten. Hij heeft het hoogste bereikt wat er voor hem in zat, gelet op de beperkte machtsaanspraak van zijn relatief kleine partij, de liberale FDP.

Brüderle is in de voetsporen getreden van een van zijn liberale voorbeelden, de vorige week overleden Otto graaf Lambsdorff, dertig jaar geleden minister van Economische Zaken voor de FDP.

Partijgenoten zeggen dat hij een praktische liberaal is, met een neiging tot daadkracht en een afkeer van theoretiseren. Zijn vader had tot op hoge leeftijd een textielwinkel. Brüderle heeft hem vaak geholpen. „Als je het perspectief van achter de toonbank kent, begrijp je beter hoe de economie werkt”, zei hij onlangs. Brüderle wil zich sterk maken voor het Duitse midden- en kleinbedrijf, „de economische ruggegraat van ons land”.

Zijn inaugurale rede als bewindsman was uitzonderlijk kort: zo’n negen minuten. Duitsers zijn het niet gewend dat een politicus in de Bondsdag z’n beleid kernachtig samenvat in zo weinig woorden. Het kwam hem op de hoon van de oppositie te staan. „Dit is hele dunne soep. (…) Geen visie, geen grote lijn, geen moed”, luidden de verwijten van oppositionele parlementariërs.

Brüderle kondigde een renaissance van de socialemarkteconomie aan, een stokpaardje van hem én bondskanselier Merkel. Het is de Rijnlandse variant op het Angelsaksische neoliberalisme: vrije markt, maar wel met sturing en regels, en uitgevoerd in gezamenlijk overleg tussen werkgevers en werknemers. Ooit uitgedacht en gepraktiseerd door Ludwig Erhard, onder bondskanselier Konrad Adenauer als minister van Economische Zaken de vader van het Duitse Wirtschaftswunder.

Erhard, een christendemocraat, „zou nu lid zijn van de FDP”, grapte Brüderle. Ook die opmerking viel bij de oppositie in slechte aarde. „We verwachten meer van een minister dan lollige redevoeringen”, zei de sociaaldemocraat Hubertus Heil.

De pech van Rainer Brüderle is niet dat hij het mikpunt van de oppositie is geworden. Zijn ongeluk is dat hij een minister opvolgde die de grote ster van de Duitse politiek is: de jonge, goed ogende aristocraat Karl-Theodor zu Guttenberg. Bij hem vergeleken steekt Brüderle bleek af. Dat geldt ook voor de anderen in het kabinet – zelfs voor de bondskanselier. Maar, luidt een veelgehoord verwijt, Brüderle had zijn eerste weken kunnen gebruiken om een paar sterke liberale accenten te zetten en zich zodoende van zijn voorganger te onderscheiden. Het feit dat dit niet is gebeurd, wordt hem nagedragen door met name het liberale dagblad Die Welt.

Zijn eerste grote crisisklus is de afhandeling van de kwestie-Opel. Tot veler verrassing blijft deze Duitse automaker stevig in handen van het Amerikaanse autoconcern General Motors. De steungelden, die Berlijn had beloofd en deels al had uitgekeerd voor de geplande verkoop van Opel, zijn terugbetaald. Brüderle maakt geen haast met nieuwe toezeggingen voor subsidie en volgt zijn liberale instinct: niets doen is beter dan ingrijpen.

„De Staat hoort zich niet in het bedrijfsleven te mengen”, zei hij voor de verkiezingen. Als bewindsman zal hij misschien concessies aan dat standpunt moeten doen. Voor de christendemocratische regeringspartner is de positie van de Duitse auto-industrie vrijwel onaantastbaar. De algemene opvatting in Berlijn is dat Opel, als het nodig is en General Motors er om vraagt, wederom steun zal krijgen. Voorlopig speelt Brüderle op tijd. „De bal ligt in Detroit en niet in Berlijn.”

Hij wil zijn achtergrond als winkelierszoon niet verloochenen en maakt zich liever waar als minister voor de middenstand. In die kring voelt hij zich thuis: de kappers, de apothekers en de productiebedrijfjes met een paar man in dienst.

Brüderle wil meer lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf. En moet met lede ogen aanzien dat de ruimte die zijn machtige collega Wolfgang Schäuble hem biedt eerder kleiner dan groter wordt.

    • Joost van der Vaart