Zinkviooltje in de bocht

Naar de natuur / Koos van Zomeren

Het zinkviooltje is een van de vele eigenaardigheden van Zuid-Limburg. Het is nu meer dan dertig jaar geleden dat ik dit bloempje heb bezocht en beschreven. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die zich afvragen: bestaat dat nog? Welnu, het hangt erom.

Jo Willems, voorheen verbonden aan de universiteit van Utrecht, stuurde me een artikel uit 2004, het februarinummer van het maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Daarin had hij alles nog eens op een rijtje gezet.

Het zinkviooltje behoort tot de zinkflora, waartoe ook zinkboerenkers, blaassilene en twee grassoorten worden gerekend. Bij Epen reikt dit natuurverschijnsel tot net binnen onze landsgrenzen. Het gaat terug tot de zinkmijnen (tot 1920) en zinkindustrie (tot 1950) bij het Belgische plaatsje La Calamine, net onder Aken.

Door de Geul werd bij overstromingen zinkhoudend slib afgezet op haar oevers. Voor de meeste planten, en zeker voor struiken en bomen, is dat vergif. Zinkboerenkers echter weet zinkdeeltjes in ongevaarlijke vorm op te nemen, terwijl zinkviooltje een wortelstelsel heeft dat ze uit zijn systeem weert.

Begin vorige eeuw zagen de weilanden langs de Geul in mei nog geel van de zinkviooltjes. Midden vorige eeuw was de achteruitgang al volop gaande. Oorzaak: kalk (van bemesting) en fosfaten (van ongezuiverd afvalwater en de bladval van populieren). Kalk en fosfaten neutraliseren het zink in de bodem en dan verliest de zinkflora het algauw van de rest.

Willems zelf trof het zinkviooltje nog maar op één veldje aan, dat bovendien als een luifel boven een uitgesleten bocht van de Geul hing en elk moment in het water kon vallen. En zo hangt het er nog. Je zou dat bochtje kunnen beschotten. Of je zou de stroomdraad kunnen verleggen door op de oever een paar populieren te kappen.

Het zinkviooltje valt onder Natuurmonumenten. Maar de Geul valt onder het waterschap Roer en Overmaas, en het waterschap vindt dat het riviertje vrij moet kunnen meanderen. En de populieren moeten om cultuurhistorische redenen blijven staan. Zo botst de natuur op de natuur. Interessant dilemma.

Nu stuurde Roland Bobbink, werkzaam bij het onderzoekcentrum B-ware in Nijmegen, me een artikel uit De levende natuur van maart 2009. In het zinkreservaat loopt inmiddels een kleinschalig plagexperiment. Nadat de bovenlaag, zo’n twintig centimeter, was verwijderd, werden zaden en kiemlingen van zinkplantensoorten aangebracht. Die bleken goed aan te slaan. Er zijn dus mogelijkheden tot herstel. Deze oplossing is evenwel duurder, bewerkelijker en kunstmatiger dan bescherming van dat ene bochtje.

De voorraad zink in de bodem is uiteraard eindig. „Maar”, zei Bobbink toen ik hem daarover ondervroeg, „er is nog genoeg over om het zinkviooltje tientallen jaren, ja misschien wel een eeuw, te onderhouden.”

    • Koos van Zomeren