Zie, de wereld kijkt naar jóu

Iedere persoon blijft voor een ander raadselachtig, onkenbaar. In de ogen van Cees Nooteboom geldt hetzelfde voor schilderijen.

Cees Nooteboom: Het raadsel van het licht. De Bezige Bij, 192 blz. € 59,90

Mijn kinderen zijn te oud om nog menselijke eigenschappen en emoties aan de dingen toe te schrijven, maar ik herinner me een groot aantal van hun achteloze uitspraken over een ‘boze stoel’, een huis dat ‘heel erg moe’ was, en over een auto met de knipperlichten aan: ‘Kijk pap, die lichten van de auto zijn aan het stotteren.’ Hoe groei je vervolgens op? Er begint een nieuwe periode waarin je je een tikje schaamt voor die magische denkwereld. Eenmaal in je puberteit wil je niets meer weten van het kind dat je was. Maar sommigen gunnen zichzelf, eenmaal volwassen, de notie dat bepaalde dingen ‘bezield’ kunnen zijn. Zij vinden die ‘vermenselijkte dingen’ uit onze kindertijd zo gek nog niet.

Cees Nooteboom verhoudt zich al een schrijversleven lang met dingen waarin hij een ziel bespeurt. Het zijn specifieke dingen: kunstwerken. Sommige zijn levende wezens, vrienden, gesprekspartners, zo blijkt uit Het raadsel van het licht, een keuze uit nieuwe en oudere essays en gedichten over beeldende kunst. In het stuk ‘De filosoof zonder ogen’ vormt het werk van Giorgio de Chirico volgens Nooteboom een ‘duister terrein, net als de menselijke ziel’. En dan benadrukt hij dat een van De Chirico’s vroege werken vaak als bruikleen iover de halve wereld is getransporteerd: ‘Je denkt die onzinnige gedachte: dat het ding daar misschien moe van wordt. Of je vraagt je af of het wel een huis heeft, of het ooit ergens uit kan rusten.’

Het is jammer dat Nooteboom die onweerstaanbare gedachte om sommige schilderijen als levende wezens te beschouwen hier ‘onzinnig’ noemt. Zo onzinnig is dat namelijk niet voor wie zijn werk kent. Misschien is het zelfs wel een van zijn credo’s, zodra hij oog in oog staat met kunst die hem blijkt te fascineren. In Het raadsel van het licht is een enkel ouder essay in de revisie gegaan, waaronder ‘Hopper, Vermeer en het raadsel van het licht’, oorspronkelijk uit Voorbije passages (1981). Helaas is daarbij de oorspronkelijke – en als programmatisch op te vatten – openingszin gesneuveld: ‘Een dichter die van een schilder houdt ontkomt er niet aan om de schilderijen [...] als levende wezens, misschien wel als personen te zien.’

Iedere persoon blijft voor een ander tot op zekere hoogte raadselachtig en onkenbaar; wat betreft Cees Nooteboom geldt hetzelfde voor de schilderijen die zich met personen laten vergelijken. Over de vragen die Anselm Kiefers werk oproept, verzucht hij: ‘Misschien kan er een eind komen aan deze raadsels?’ In Arezzo bekijkt hij fresco’s van Pierro della Francesca en raakt overrompeld: ‘het was te veel en te hoog, en er waren te veel raadsels’. Raadsels en geheimzinnigheden keren telkens terug in Het raadsel van het licht, of het nu gaat om het werk van Hopper en Vermeer, of om het doek Portret van een jonge vrouw (ca 1470) van Petrus Christus, waarover Nooteboom in een gedicht schrijft: ‘Van alle geschilderde vrouwen / het geheimzinnigst’.

Het zijn niet altijd de kunstwerken zelf die raadselachtig en mysterieus zijn. Net zo vaak brengt de toeschouwer zélf het raadsel mee. Zo benadrukt Nooteboom over een aantal stillevens van Pieter Claesz, Willem Kalff en anderen: ‘Dat de schilders er geen mystieke bedoeling mee hadden, doet aan het raadsel niet af.’ Nooteboom doelt hier op het raadsel van de, om het met Gerrit Kouwenaar te zeggen, ‘volledig oneetbare perzik’. Sommige stillevenschilders uit de 16de en 17de eeuw gingen te werk met een bijna griezelige precisie, waardoor kazen, appels, noten en stukken brood bijna aanraakbaar worden – en daardoor des te onbenaderbaar. De ultiem-realistische vrucht op een schaal blijkt, naar de mate van perfectie, gelijk aan een absoluut-abstracte vrucht op een schaal. Nooteboom haalt Immanuel Kant erbij, met diens Ding an Sich, en ziet vervolgens bij Floris van Dijck en zijn Stilleven met kazen (ca 1615) een volvette, materiële kaas op het doek, zó plastisch geschilderd dat de kijker met ‘een werkelijkheid wordt bedrogen die geen werkelijkheid is’. Nooteboom komt uiteindelijk uit op een veruitwendiging van ‘de absolute idee van kaas’.

Geheel volgens het credo van Harry Mulisch, die ooit schreef dat het ‘het beste is, om het raadsel te vergroten’, formuleert Nooteboom naar aanleiding van wat hij zoal ziet op kunstwerken, allerlei vragen die zich alleen laten beantwoorden in termen van nieuwe vermoedens en nieuwe raadsels. Catalogi en andere verklarende teksten bieden meestal geen soelaas. Lezend in die catalogi ontdekt Nooteboom vaak vooral ‘wat ik gemist heb’. En hij ‘mist’ nogal eens iets. Daarvoor geneert de schrijver zich niet. We worden juist deelgenoot van zijn twijfels en tegenslagen die allerlei museumbezoeken met zich meebrengen. ‘Ik ben geen kunsthistoricus’, noteert Nooteboom ten overvloede.

Elders in Het raadsel van het licht benadrukt hij: ‘het houdt mij nooit zo bezig hoe een kunstwerk tot stand komt of hoe de thermometer van de kunstwereld staat, wat anderen ervan denken [...], het enige wat telt is het ding zelf’. Zo’n ‘ding’ wordt overal in Het raadsel van het licht zo secuur en liefdevol van alle kanten bekeken en bevraagd dat een kunstwerk soms bijna de contouren krijgt van een romanpersonage: bewegend, denkend, voelend, levend – en daar is het dan weer, het kunstwerk dat bij Nooteboom bezield raakt, alsof het gaat om een levende gestalte.

Welke rol hebben in Het raadsel van het licht de kunstenaars zelf? Die zijn in deze essays alomtegenwoordig en onzichtbaar tegelijk. ‘Grote kunst vreet zijn maker op’, aldus Nooteboom. En: ‘De kunstenaar verdwijnt in zijn schilderij. De schilder wordt zijn schilderij, en daarmee ook iedereen die ernaar kijkt.’ In het vermoeden dat de verdwenen kunstenaar via een onvermijdelijke transformatie terugkeert als het oog van de beschouwer, voelt Nooteboom zich vrij van allerhande kunsthistorische conventies: ‘Niemand is verplicht om mee te gaan met de gedachtegang van de tijd waarin het schilderij geschilderd werd.’ Vandaar ook dat hij over een van zijn favoriete schilders, Francisco de Zurbarán, kan schrijven: ‘Misschien zou Zurbarán mijn gedachten onzin hebben gevonden, maar hij is tegelijkertijd de motor die mijn gedachten aandrijft.’

Hier en daar zijn in Het raadsel van het licht oude en nieuwe gedichten uitgestrooid. Die gedichten zijn allemaal geschreven bij specifieke kunstwerken, maar wie de moeite neemt ándere poëzie van Nooteboom erop na te slaan, ontdekt dat deze schrijver al een leven lang obsessief de sensaties van het kijken najaagt. De dichter Nooteboom speurt van begin af aan naar de dingen die hemzelf aan een ziel kunnen helpen. Al in 1964, in de cyclus ‘De vechtenden’ in Gesloten gedichten, staat er te lezen: ‘de dingen bepaalden hem / en maakten hem zichtbaar’.

Vele jaren later, in Het gezicht van het oog (1989), trekt Nooteboom in het wél opgenomen gedicht ‘Het innerlijk oog’ de consequenties uit het feit dat hijzelf niet de dingen ‘bepaalt’ maar dat de dingen hém bepalen en zichtbaar maken:

De zichtbare wereld sluist het beeld

door het geopende oog. Het innerlijk oog

ontvouwt het, maakt het nieuw

in nieuwe schijnsels. Geef die maar namen.

Niet de dichter sluist, door te schrijven, een beeld de wereld in. Het is omgekeerd: Nooteboom trekt als een lege, ‘oningevulde’ nomade de wereld door. Hij bestaat pas en krijgt pas betekenis als er kunstwerken zijn die via het oog binnendringen. Niet de kijker is actief, maar de omringende wereld: die kijkt naar jou. Dat is wel even anders dan we gewend zijn te denken over Ik en de Ander, het Zelf en de wereld.

De consequenties van die omkering tussen het Zelf en de wereld vind je terug in Nootebooms boektitels als De wereld een reiziger (1989) en in de befaamd geworden regels uit de bundel Aas (1982): ‘Eskaders gedichten zijn op zoek naar hun dichters’. En het is eenzelfde soort omkering die Het raadsel van het licht tot veel meer dan een verzameling stukken en gedichten over kunst maakt. Wie Het raadsel van het licht leest met in gedachten die omkering, begrijpt waarom Cees Nooteboom, gestaag de tachtig naderend, ook nu nog onvermoeid en licht obsessief de wereld rondreist: hij weet zich gezocht en nagejaagd door kunst. Een oerinstinct geeft hem in dat er eskaders van kunstwerken zijn die op zoek zijn naar ‘het innerlijk oog’ dat je nu eenmaal onmogelijk kunt uitrukken of, zolang je leeft, blijvend kunt sluiten.

Zonder die kunst is dat innerlijk oog overtollig en zelfs non-existent. Dat kan de bedoeling niet zijn, en dus blijft de schrijver hartstochtelijk onderweg. Het raadsel van het licht blijkt bij Nooteboom identiek aan het raadsel van het Zelf. Dit raadsel van het Zelf is vanzelfsprekend onoplosbaar, dat weet de schrijver al sinds hij zich heugen kan. Het besef van die onoplosbaarheid geeft aan alles wat Nooteboom over zijn ervaringen met kunst schrijft een tragische dimensie, nu en dan op het gekwelde en wanhopige af. Van die kwelling is Nooteboom zich welbewust, gegeven opnieuw het essentiële gedicht ‘Aas’: ‘ik ben alleen, het gedicht is alleen, / en de rest is van wormen.’