Wonderzalf en genocide

Schrijver Arnon Grunberg ging terug naar Montenegro, het land dat door de recentste Balkanoorlogen is overgeslagen. Daar ontmoet hij de broer van Radovan Karadzic. „Voor duizend euro vertel ik alles.”

Als de taxichauffeur ons bij de nog niet geheel ten einde gebouwde kerk afzet, zegt hij: „Ik ken ook aardige stripclubs.” Ik ben terug in Podgorica, de hoofdstad van Montenegro. Ooit heette Podgorica Titograd. De luchthavencode van de stad is nog steeds TGR; Tito zal hier altijd een beetje voortleven.

De nieuwskaravaan is niet uit Montenegro vertrokken, om de eenvoudige reden dat die hier nooit is neergestreken. In 1999 tijdens het NAVO-bombardement vormden Montenegro en Servië nog één staat. Er werd hier en daar een verdwaalde kazerne in Montenegro gebombardeerd, maar daar bleef het bij. De Balkanoorlogen hebben dit land grotendeels overgeslagen. Ja, Radovan Karadzic, de psychiater, dichter en politicus, die in Den Haag terechtstaat wegens oorlogmisdaden is hier geboren, en een van zijn broers leeft nog altijd in Podgorica.

In 2006 reisde ik naar Kosovo en Montenegro als investeerder.

Er zijn vier soorten mensen die naar oorlogsgebieden afreizen: militairen, hulpverleners, ramptoeristen en investeerders. De diplomaat is een variant van de hulpverlener, zoals de journalist een variant is van de ramptoerist.

Een vriend in Amerika schreef mij: „To be human is to trade.”

Clandestien dien ik de god van de literatuur; de andere goden bleken valse goden, alleen de god van de handel is mij nog heilig: mens worden is de markt opgaan.

De reden van mijn reis is ook dit keer zakelijk. De Servisch-Orthodoxe kerk heeft mij aangeboden om mij wonderzalf te leveren, die ik naar de Benelux kan laten importeren om daar als ‘Grunbergs Wonderzalf’ op de markt te brengen. Eerst was er nog sprake van Grunbergwijn, want de kerk in Montenegro verbouwt ook wijn, maar een wijnimporteur in Spanje had mij al aangeboden Grunbergwijn te gaan produceren. Wonderzalf leek me hoe dan ook mooier dan wijn; zo’n zalf verhoudt zich tot de gemiddelde wijn als mystieke poëzie tot een doktersroman.

De zalf is ook verkrijgbaar als lotion. Van maagklachten tot en met psoriasis: de kruiden uit de Montenegrijnse bergen genezen alles.

Met mijn ene been sta ik in de onsterfelijkheid van de literatuur, mijn andere been beweeg ik voorzichtig in de richting van de onsterfelijkheid van de wonderzalf.

Mijn contactpersoon, een Montenegrijn die in Amsterdam woont, laat mij voor mijn vertrek weten dat het mogelijk is de broer van Radovan Karadzic te onmoeten, Raco Karadzic. Ik had hem de vorige keer al kort ontmoet. Hij heeft een café in een buitenwijk van Podgorica.

Voor duizend euro wil Raco mij alles vertellen.

De wonderzalf voor hoop op reëel bestaande onsterfelijkheid en Raco’s verhaal voor de literatuur; de Balkan blijft een Fundgrube.

„Duizend euro heb ik niet,” laat ik mijn contactpersoon weten, „maar over alles kan onderhandeld worden.” Zoals Groucho Marx al zei: „Dit zijn mijn principes en als ze u niet aanstaan, heb ik ook nog andere.”

Net als de vorige keer reis ik met een tolk, Damir, een Bosniër die op dertienjarige leeftijd naar Nederland is gevlucht.

„Wat gaan we eigenlijk doen in Montenegro?” vroeg hij voor het vertrek.

„Ik kan een lang en een kort verhaal vertellen,” antwoordde ik. „Het korte verhaal bestaat uit drie woorden: wonderzalf en genocide.”

In Podgorica aangekomen staan we voor de half afgebouwde kerk waar een mis zal worden gehouden voor de heilige Jacob. Het kerkplein is een modderige parkeerplaats.

„Je kent die grap,” zegt mijn tolk, „ga naar Montenegro. Je auto is er al.”

De Servisch-Orthodoxe kerk blijkt geen kerkbanken te kennen. Iedereen staat, af en toe wordt er geknield. De mis duurt ruim twee uur. Onze taxichauffeur voegt zich bij ons, een vroom man, ondanks of dankzij zijn kennis van stripclubs.

We zijn hier om na de mis met het hoofd van de Servisch-Orthodoxe kerk in Montenegro te praten, Vladika Amlohije. Hij moet de definitieve zegen geven aan Grunbergs Wonderzalf.

Na afloop van de mis worden we meegenomen naar een klein, ietwat armoedig gebouwtje naast de kerk, waar de geestelijken aan een tafel zitten. Vladika Amlohije zit aan het hoofd. Er staan schnaps en gebakjes op tafel. De sfeer doet me denken aan die van een kleedkamer na afloop van een toneelvoorstelling, maar hier houden de acteurs hun kostuum aan.

Vladika Amlohije richt zich in het Duits rechtstreeks tot mij: „De kinderen van het communisme zijn geïnjecteerd met het hedonisme en zij zijn er het ergste aan toe.”

Hij neemt een slokje schnaps. De Talibaan zijn ook al tegen het hedonisme. Iemand zou eens een loflied op het hedonisme moeten schrijven.

„De ecologische crisis weerspiegelt de spirituele crisis van de mens. Nog nooit was Europa er zo slecht aan toe als nu. De mens is het centrum van Gods schepping, maar hij kan God niet vervangen, anders gaat het mis,” gaat hij verder.

Dit lijkt me een goed moment om over de wonderzalf te beginnen; dat die in Nederland en omstreken Grunbergs Wonderzalf zal gaan heten moet ik nog maar even niet vermelden.

Maar Vladika Amlohije zegt: „De burgeroorlog begon hier in ’45 maar hij gaat door. Vanavond is er een boekpresentatie van een boek waaraan ik heb meegewerkt. Het heet Schiet maar, de oorlog is voorbij. Je bent welkom.”

„En de zalf?”

„Mijn zegen heb je. Ze verwachten jullie in het klooster.”

Op weg naar de taxi zegt mijn tolk: „De kerk probeert de royalisten, de Cetniks, die gedeeltelijk met de fascisten hebben meegewerkt, te rehabiliteren.”

De geschiedenis wordt weer eens herschreven. En onze chauffeur zegt: „Zo’n mis is net gymnastiek.”

Dan brengt hij ons naar het klooster Ostrog, in de bergen, een uur rijden van Podgorica. Hier zou zich ook Radovan Karadzic een tijd schuil hebben gehouden.

Vanwege de hevige regenval doen we twee uur over de rit. De chauffeur zet ons af voor het gastenverblijf en rijdt dan snel weg.

Als we een paar keer op de deur geklopt hebben, doet een man open. Ons was verzekerd dat ze in het klooster van onze komst op de hoogte waren, maar deze man weet van niets.

„Zeg hem,” zeg ik tegen mijn tolk, „dat we hier zijn voor de wonderzalf.”

Een andere man met een stierennek en stekeltjeshaar verschijnt, eerder het type huurmoordenaar dan het type monnik.

Ik laat de tolk zeggen dat we via het hoofd van de Servisch-Orthodoxe kerk twee kamers gereserveerd hebben, maar dit maakt de man met de stierennek woedend. „We hebben geen kamers. We hebben slaapzalen. Ieder klooster heeft zijn regels en als jullie je daar niet aan houden, hebben jullie geen respect voor het kloosterleven.”

In de zomer komen hier veel toeristen, de ligging van het klooster is prachtig en er schijnen ook wonderen te worden verricht. Iets in de richting van de vallei hebben we souvenirwinkeltjes gezien en een enkel café. We hopen daar nog iets te drinken te krijgen.

Nadat we onze spullen op onze bedden in een sobere slaapzaal hebben gelegd lopen we de berg af. Onze mobieltjes gebruiken we als zaklantaarn, toch stappen we diep in de modder.

„Ken je de film Pulp Fiction?’ vraagt mijn tolk. „Op een gegeven moment zegt Maynard: ‘The spider just caught a couple o’ flies.’ Ik heb het gevoel dat de ene monnik nu de andere belt en zegt: ‘De spin heeft een paar vliegjes gevangen’.”

Restaurant Tvros is open maar een restaurant is het niet. Er is bier, schnaps en thee en een uitbater die naar de regen kijkt.

Via de contactpersoon in Nederland krijgen we te horen dat we vader Sergej moeten hebben en dat hij zich in de kerk bevindt.

De kerk is leeg. We rammelen aan deuren naast de kerk. Verlichting ontbreekt hier. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat een monnik naar ons kijkt en zachtjes tegen zichzelf zegt: ‘De spin heeft twee vliegjes gevangen.’

Als we de deur van een van de huizen proberen te openen staan we voor een vrouw van middelbare leeftijd met een hoofddoek.

„We komen voor vader Sergej,” zegt mijn tolk.

„Die slaapt al,” zegt ze.

Ze neemt ons mee naar een ander huis en zegt dat we voor de deur moeten wachten en dat Vader Sergej dan vanzelf naar buiten zal komen.

Na een kwartier komt Vader Sergej naar buiten, een monnik van een jaar of veertig met een vriendelijk, bijna lachend gezicht.

„We eten hier twee keer per dag,” zegt hij. „Om tien en om vijf uur. Hebben jullie al gegeten?”

Het is inmiddels half negen. „Nee,” zeg ik.

We krijgen een maaltijd, bestaande uit zelfgemaakte kaas, hardgekookte eieren, gekookte kool, groentesoep, zelfgemaakt brood en karnemelk. Na vijf minuten zegt de monnik: „Ik wacht buiten op jullie.”

„Dit is het teken dat we moeten ophouden met eten,” fluistert mijn tolk.

In het gastenverblijf liggen vijf dekens op het bed. Ondanks die dekens krijg ik het niet warm.

Vroeg in de ochtend staan we weer voor de deur van Vader Sergej. Er zijn in dit klooster monniken die mensen genezen, maar vader Sergej blijkt een administratieve functie te hebben. Op zijn bureau staat een nieuwer model Apple computer dan ik heb.

Hij neemt ons mee naar een ontvangstruimte. Er staan koffie, schnaps en borrelnootjes in de vorm van visjes op tafel.

„Alles is zelfgemaakt,” zegt vader Sergej. „Behalve de borrelnootjes.” Dan begint hij te vertellen: „Een vrouw kon niet lopen. Ze kwam hier. Haar benen zagen eruit als een x. Ze vroeg niet of ze weer kon lopen, want ze was een bescheiden vrouw. Ze wilde alleen wat minder pijn. Na het gebed strompelde ze de kerk uit. Een beetje moeizaam, maar ze liep. Dergelijke wonderen hebben hier plaatsgevonden en zijn gedocumenteerd en dan zijn er nog veel wonderen die niet zijn gedocumenteerd. We hadden een generaal van de NAVO op bezoek en hij zei tegen mij: ‘Iedereen die niet in God gelooft moet naar dit klooster komen.’ Geloof zonder daden en liefde zonder opoffering, daar heb je niets aan.”

We krijgen een rondleiding door het klooster, langs de koeien, een paard en enkele geiten. Een van de monniken heeft besloten bij de geiten te wonen. Zijn hutje is hooguit tien vierkante meter groot, maar het is de enige plaats in het klooster waar iets van verwarming lijkt te zijn. Als hij ons ziet, komt de monnik uit zijn hutje, spreidt zijn armen uit, loopt door de stromende regen in richting van de geiten en begint tegen de beesten te spreken.

„Wat zegt hij?” vraag ik aan mijn tolk.

De tolk antwoordt: „Hij zegt: ‘Geiten, ik houd van jullie. Geitjes, ik houd zielsveel van jullie’.”

Sommige monniken zijn spinnen, maar de geitenmonnik lijkt me een vliegje. Ik vind het nu langzamerhand tijd om over de zalf te beginnen.

„O, daarvoor komen jullie,” zegt Vader Sergej. „Hier worden wonderen verricht, maar de wonderzalf wordt in het vrouwenklooster Heilige Stefan Piperski gemaakt.”

Het vrouwenklooster lijkt van buiten een beetje op een luxueus hotel.

Een non in opleiding neemt ons mee naar een ontvangstruimte, ze is aantrekkelijk.

Zuster Katherina, eveneens een jonge knappe vrouw, ondanks haar habijt, vertelt ons over de wonderzalf.

Ik begin te begrijpen dat een non het hoogst haalbare is voor een man. Een getrouwde vrouw is leuk, maar bij een non kun je zeggen: „Ik deel mijn vrouw met God.” Of: „Dit is Zuster Katherina, ik heb haar afgepakt van God.”

Zuster Katherina zegt dat de zalf tussen de 15 en 18 euro moet gaan kosten in de winkel. Er zijn geen minimumbestellingen. We kunnen een etiket zelf laten ontwerpen, maar de kerk moet zijn zegen geven aan het etiket.

Het is donker als we opstappen. De avondmis is aan de gang. We mogen even in de kerk kijken.

Er zijn zes nonnen in de kerk; op elke bank een non. De non die voorgaat in het gebed is niet te zien, veel licht is hier ook niet. Een religieuze ervaring wil ik het niet noemen, maar even weet ik zeker dat God een grote harige spin is.

Zuster Katherina begeleidt ons naar de uitgang. „Het komt in orde met de zalf,” zegt ze, maar ik kan alleen maar denken dat ik voor het aangezicht van de grote, harige spin het habijt van Zuster Katherina’s lichaam zou willen scheuren.

Al was het maar omdat ook de vlieg soms in opstand moet komen.

De laatste dag van ons verblijf ontmoeten we Raco Karadzic, de broer van. In zijn café, onder een schilderijtje van Radovan, onderhandelen we over het interview.

„Voor duizend euro vertel ik je alles,” zegt de broer van Karadzic.

„Ik kan je driehonderd euro geven.”

„Voor driehonderd euro vertel ik je iets. Het gaat me niet om het geld, het gaat me om het principe.”

Hij heeft een mapje bij zich waar hij af en toe over wrijft.

Die avond komt hij naar ons hotel.

De broer van Radovan wil niets eten, alleen wat gefrituurde jonge kaas voor de gezelligheid.

„Mijn broer is door God gezonden,” zegt hij. „Mijn broer was de enige die de Bosnische Serviërs heeft kunnen verenigen, en als die mevrouw aan de macht was gekomen, die Biljana Plavsic, was het allemaal veel erger geweest. Dan was er geen enkele Kroaat of moslim in Bosnië in leven gebleven.”

Plavsic was een van de presidenten van de Servische Republiek in Bosnië-Herzegovina. In 2001 gaf ze zichzelf over aan het Joegoslavië-tribunaal. Ze werd in 2003 tot elf jaar veroordeeld maar is in oktober van dit jaar vervroegd vrijgelaten. Ongeveer honderdduizend mensen zijn in de Bosnische Oorlog omgekomen.

De broer van Karadzic zegt: „In de illegaliteit heeft mijn broer laten zien dat hij een humanist is. Hij heeft de situatie gebruikt om door middel van zijn kennis van alternatieve geneeskunde mensen te helpen. Dat deed hij niet voor het geld. Er zijn ook heel veel mensen genezen maar ze kunnen daar geen ruchtbaarheid aan geven omdat ze zijn geholpen door dokter Dragan Dabic.”

Dokter Dabic was de naam waaronder Radovan Karadzic ondergedoken zat en als natuurgenezer optrad tot hij in de zomer van 2008 werd gearresteerd.

Op de Balkan zijn het de spinnen die het verhaal vertellen en genocide is er nog steeds een vorm van pulp fiction.

Ik weet alleen dat het beter is een spin dan een vliegje te zijn en als je al een vliegje bent, wees dan een vliegje met wonderzalf. Dan kun je nog altijd zeggen: „Spin, ik heb iets voor je meegebracht.”

Maar het is niet de broer van Karadzic aan wie ik denk als ik op het vliegveld van Podgorica wacht op de vlucht naar Wenen, het is zuster Katherina.

    • Arnon Grunberg