Wie hij was weet dus niemand

Neerlandicus Nico Keuning wil kennelijk geen onderscheid maken tussen de dikke duim van Johnny van Doorn en diens leven.

Nico Keuning: Oorlog en pap. Het bezeten leven van Johnny van Doorn. De Bezige Bij, 261 blz. € 24,90.

Een groot deel van de kracht van de optredens van schrijver en dichter Johnny van Doorn (1944-1991) ging schuil in wat hij zelf in interviews als ‘de magie van de herhaling’ bestempelde. Wie wel eens een voordracht van Van Doorns bekende gedicht ‘Een magistrale, stralende zon’ heeft gehoord of gezien (bijvoorbeeld in een uitzending van het tv-programma Dode Dichters Almanak), zal onmiddellijk begrijpen wat hij daarmee bedoelde. Na een lange opbouw, waarin de dichter ondermeer jubelt over de ‘vol, met kwinkelerende vogels zijnde natuur’ volgt de finale, waarin Van Doorn in zijn gedaante van ‘Selfkicker’ zo ongeveer ontploft als hij, steeds sneller, de laatste zin van het gedicht (‘Een magistrááále, strááálende zon’) afvuurt.

Neerlandicus Nico Keuning presenteert Oorlog en pap, zijn boek over Van Doorn, op de achterflap als een ‘liefdevol portret’. Dat het boek met alle liefde van de wereld is geschreven staat buiten kijf, interessanter is het om te kijken uit welke ingrediënten het ‘portret’ bestaat. Keuning heeft bij het schrijven van Oorlog en pap geput uit een aantal bronnen. Hij sprak mensen uit de naaste omgeving van Van Doorn en zag brieven in die Van Doorn naar onder anderen zijn ouders en het Fonds voor de Letteren verstuurde. Met deze bronnen kan de lezer weinig moeite hebben, al laat de manier waarop Keuning ze inzet te wensen over. Zo nam hij citaten van geïnterviewden op die niet veel met Johnny van Doorn te maken hebben en dus afleiden van het onderwerp.

Een veel groter bezwaar tegen Keunings werkwijze is echter dat hij de prozaverhalen van Van Doorn klakkeloos inzet als bouwstenen van een biografisch boek. In boeken als De geest moet waaien en Gevecht tegen het zuur schrijft Van Doorn inderdaad veel over zijn eigen leven, maar het is een tweede om dat soort informatie in een ‘portret’ op te nemen. Uit niets blijkt dat de mensen die Van Doorn gekend hebben Keuning hebben verzekerd dat het in meer of mindere mate ‘klopt’ wat Van Doorn opschreef. ‘Waar gebeurd’ is voor de schrijver Van Doorn geen issue, maar voor de biograaf zou het dat wel moeten zijn.

De enkele keer dat Keuning een naaste van Van Doorn aan het woord laat over het ‘waarheidsgehalte’ van diens verhalen, doet dit juist vermoeden dat de schrijver er geregeld wat bij verzon. Over een bepaald verhaal zegt dichter Hans Verhagen bijvoorbeeld: ‘Van die asbak weet ik niks, zal Johnny wel bedacht hebben’. Al in het begin merkt de biograaf naar aanleiding van Van Doorns geboekstaafde jeugdherinneringen op ‘dat het er niet toe doet of het klopt en of het pianospel met applaus en buiging werkelijk heeft plaatsgevonden’. Het kan als een verantwoording voor Keunings werkwijze worden opgevat.

Een groot deel van Keunings boek bestaat dus uit informatie die voor hetzelfde geld uit de dikke duim van Johnny van Doorn afkomstig zou kunnen zijn. Zo is een groot deel van dit portret meer een bibliografische dan een biografische schets van Van Doorn, aangevuld met wetenswaardigheden die Keuning kennelijk aantrof in de knipselmap. Het is dan ook niet overdreven om te stellen dat er maar weinig nieuws over Van Doorn in het boek naar voren komt, simpelweg omdat Van Doorn ons de meeste informatie al zelf met zijn verhalen toespeelde.

Keuning laat daarnaast kansen liggen. Zo wordt er gewag gemaakt van de getroebleerde zoon van Van Doorn en is een vriendin van de familie op zeker moment zelfs ‘ontzettend van die jongen geschrokken’, maar blijft het verder onduidelijk wat de jongen nu echt mankeerde en hoe zijn vader daar mee omging. Ook het raadsel hoe de volgens Keuning af en toe flink berooide Van Doorn toch iedere dag in de kroeg kon zitten pimpelen blijft onopgelost. ‘Wie hij werkelijk was, weet niemand’, schrijft Keuning op de helft van het boek. Is dan iedereen die Keuning benaderde spontaan dichtgeklapt?

Ook maakt Keuning fouten. Zo zou NRC Handelsblad in 1966 ietwat negatief over Van Doorns poëzie hebben geschreven, terwijl er destijds nog geen krant bestond die zo heette. Zelfs wanneer Keuning de tekst uitschrijft van een verhaal dat Van Doorn voordroeg en dat op de bijgevoegde cd valt te beluisteren, gaat het mis.

Zoals eerder vermeld kreeg het prozawerk van Van Doorn terughoudende ontvangst. Zat men er volgens Keuning in die tijd grandioos naast en was Van Doorn wel degelijk een groot schrijver? Ook in de passages waarin hij Van Doorns werk analyseert of er een lofzang op los laat weet hij niet te overtuigen. Zo roemt hij diens beeldend vermogen en specifieke woordkeus, maar die kwalificaties zijn voor iedere schrijver te gebruiken.

Eén van de weinige zaken die goed belicht wordt is de jarenlange samenwerking tussen Van Doorn en Hans Sleutelaar, die als uitgeverijredacteur genadeloos het mes zette in de in zijn ogen wijdlopige zinnen van Van Doorn. Sleutelaar streefde naar ‘koel en effectief proza’, maar het kostte hem flink wat overredingskracht om Van Doorn van zijn standpunten te overtuigen. ‘Hij vond het te kaal, te strak, te uitgebeend worden’, aldus Sleutelaar, Van Doorn heeft ‘de redactionele ingrepen nooit kunnen verkroppen’. De wisselwerking tussen Van Doorn en zijn redacteur is helaas een van de weinige onderdelen van Oorlog en pap waar je als lezer niet je wenkbrauwen bij fronst.

    • Sebastiaan Kort