Vrij zijn om de sterren te zoeken

‘Lorca is een elegische dichter die voorbij aanwezigheid naar afwezigheid speurt’, aldus zijn vertaler. Zevenhonderd pagina’s met zijn poëzie overrompelen je.

Federica Garcia Lorca (Garcia Lorca, Federica) in 1916, dan 18 jaar oud. He was born on the 5th June, 1898, in Fuentevaqueros in the province of Granada. At the age of 38 he was shot on the direct orders of one of Franco's fascist generals just outside the village of Víznar, shortly after the outbreak of the Spanish Civil War. His body lies in an unmarked grave.

Federico García Lorca: Verzamelde gedichten. Vertaald door Bart Vonck. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 874 blz. € 39,90

Er was eens een slak. De slak wil het einde van het pad zien. Zo gaat deze ‘vreedzame burgeres van het paadje’ op avontuur. Ze maakt kennis met twee oude kikkers die al veel eerder hun illusies en hun geloof hebben verloren. Die vrijheid gunnen zij het slakje niet, zij moet het eeuwige leven omhelzen: ‘Wij vertellen je de waarheid,/ Wij. En geloven zal je!,/ Zeggen de woedende kikkers’.

Kort daarop heeft de slak een ontmoeting met een groep mieren die een stervende soortgenoot met zich meevoeren. Die zou de sterren hebben gezien, tot groot onbegrip van de rest van de mieren: ‘We zullen je doden,/ Lui en pervers ben je./ Werken moest je wet zijn.’ De gewonde mier gaat uiteindelijk dood zonder vermoord te hoeven worden.

De slak zucht

En loopt beduusd weg,

De eeuwigheid brengt haar

Helemaal in de war. Het pad

Is eindeloos, roept ze.

Wie weet kom je hierlangs

Bij de sterren.

Maar ik ben zulk een stuntel

Dat ik er nooit bij kom.

Ik zet ze beter uit mijn hoofd.

‘De ontmoetingen van een avontuurlijke slak’ werden in 1918 door Federico García Lorca geschreven, de dichter was toen twintig jaar oud. Bijna een eeuw later mengt het beeld van de mier – die wordt weggevoerd omdat hij de sterren heeft gezien – zich met dat van een een andere, historische gebeurtenis; het beeld van de 38-jarige García Lorca, zoals die op een augustusdag in 1936 door franquisten werd meegenomen en doodgeschoten. Dat laatste gebeurde zonder proces, maar niet zonder moeite: na het eerste salvo van het vuurpeloton leefde de dichter nog, daarna werd een genadeschot gelost.

Het zou drie weken duren voordat García Lorca’s republikeinse medestanders zijn dood in hun kranten meldden: het gerucht had zijn weg door het door de burgeroorlog verscheurde land wel gevonden, maar niemand geloofde het. Want wie zou García Lorca willen vermoorden?

Het was niet omdat hij de sterren had gezien, maar omdat hij de vrijheid had genomen die te zoeken: in zijn poëzie, in zijn toneelstukken, in zijn homoseksualiteit en in zijn politieke overtuigingen, al waren die laatste voor Lorca nooit de hoofdzaak. En het nemen van vrijheid is in Spanje ook altijd het nemen van religieuze vrijheid – zie de bedilzucht van de rancuneuze kikkers in het gedicht over de slak.

De conclusie van de slak in het gedicht – ik ben zo’n stuntel dat ik de sterren beter uit mijn hoofd kan zetten – raakt aan een van de kernen van het dichterschap van Lorca. Hij is altijd meer een dichter van het verlangen dan van de liefde geweest, wat niet geheel verwonderlijk is voor een homoseksueel in het begin van de 20ste eeuw. ‘Lorca is een elegisch dichter die voorbij aanwezigheid naar afwezigheid speurt’, schrijft vertaler Bart Vonck in zijn 35 pagina’s tellende nawoord bij de Verzamelde gedichten van Lorca in de Perpetua-reeks.

Dat nawoord, gevoegd bij de vijftig pagina’s aantekeningen zou je als overdonderend kunnen ervaren als de ruim zevenhonderd pagina’s gedichten van Lorca je niet allang overrompeld hadden. Want de morele reputatie van García Lorca mag gevestigd zijn door zijn verschrikkelijke dood, zijn literaire reputatie als grootste Spaanse dichter van de 20ste eeuw heeft zijn biografie niet nodig.

In zijn 20-jarig dichtersbestaan verbond García Lorca schijnbaar moeiteloos de traditie van de zigeuners uit Andalusië (‘Wat roept de nachtuil,/ ay wat roept hij in de boom!/ Door de hemel gaat de maan/ met een kindje aan haar hand’) met schijnbare kinderverhalen en de met verwijzingen overladen gedichten die hij in New York schreef.

En steeds zijn deze gedichten in beweging. Er is amper een gedicht in deze verzameling te vinden waarin Lorca zijn lezers niet even misleidt. Zoals hij in het openingsgedicht van de bundel Dichter in New York een vlinder ten tonele voert – een van de talloze die door de Verzamelde gedichten zwerven – maar wel ‘verdronken in de inktpot’.

Bart Vonck vertaalde in de loop der jaren al een handvol bundels van Lorca voordat hij zich aan deze volledige uitgave wijdde. Hij kiest vooral voor het nauwgezet weergeven van de tekst van Lorca. Minder dan grote voorgangers als Dolf Verspoor (1917-1994) is hij een dichtende vertaler. Zo is ‘Ik zag hoe grijze regens naar de golven ijlden’ uit Verspoors vertaling van ‘Aanwezig lichaam’ bij Vonck prozaïscher ‘Ik zag grijze regens hollen naar de golven’, wat dichter bij het Spaanse origineel blijft (‘Yo he visto lluvias grises correr hacia las olas’).

Voncks García Lorca zingt minder in het Nederlands, maar hij ontsluit de dichter des te beter. Bijvoorbeeld in de prachtige laatste strofe van ‘Fabel en rad van drie vrienden’, ook deel van de New-Yorkse gedichten en een van de talloze plaatsen in deze monumentale uitgave waarin de ongrijpbare en onweerstaanbare poëzie van Lorca zijn veelvormigheid toont:

Toen de zuivere vormen waren gesloopt

onder het getjilp van de madeliefjes

begreep ik dat ze me hadden vermoord.

Ze kamden kroegen uit en kerkhoven en kerken.

Ze braken wijnvaten en kleerkasten open.

Ze sloopten drie skeletten om hun gouden tanden uit te rukken.

Maar mij konden ze niet meer vinden.

Konden ze mij niet vinden?

Nee. Ze konden mij niet vinden.

Maar men vernam dat de zesde maan stroomopwaarts was gevlucht

en dat de zee zich – opeens! –

de namen van al haar drenkelingen herinnerde.

    • Arjen Fortuin