Tobben met meetbare ambities

Een dagelijks verslag van belangrijke ontwikkelingen op de klimaattop in Kopenhagen.

De eerste week zit erop in Kopenhagen. De ergste brandjes op de klimaattop – tussen arm en rijk en ook tussen arme landen onderling – zijn zo’n beetje geblust en de landen kunnen dit weekeinde studeren op een voorlopige officiële ontwerptekst die het Deense voorzitterschap vanmiddag heeft gepubliceerd.

Het lijkt een redelijk ambitieus document te zijn geworden. Zo wordt bijvoorbeeld nog getwijfeld over de langetermijndoelstelling: leggen we de grens voor temperatuurstijging op 2 graden Celsius (wat volgens wetenschappers minimaal nodig is), of zelfs op maximaal 1,5 graad, wat kleine eilandstaten graag zouden zien?

De cijfers voor de reductie van broeikasgassen die hier bijhoren variëren. De minst ambitieuze getallen gaan uit van een reductie van CO2 in 2050 met 75-85 procent. Maar ook de mogelijkheid van een reductie met 80-95 procent wordt nog opengehouden, en zelfs met meer dan 95 procent (allemaal in vergelijking met de uitstoot in 1990).

Voor de korte termijn, tot 2020, wordt nog steeds de doelstelling 25 tot 40 procent emissiereductie genoemd. Als je nu alle bestaande doelstellingen van de rijke landen bij elkaar optelt kom je ergens tussen de 15 en 23 procent uit. Dus ook hier zullen de landen hun ambities nog een beetje moeten opschroeven.

Opmerkelijk is dat in het document ook is opgenomen dat maatregelen die ontwikkelingslanden nemen, meetbaar moeten zijn. De landen hebben tot nu toe steeds gezegd dat niets voor te voelen.

Het document bevat nog steeds heel veel vierkante haken, soms met alleen puntjes, als nog geheel onduidelijk is welke kant het opgaat, soms met verschillende opties.

De meeste leegtes zitten in het gedeelte over de financiën. Voorzichtige toezeggingen kwamen gisteren van de EU-top in Brussel, maar veel blijft onzeker.

De Amerikaanse onderhandelaar Jonathan Pershing zei bijvoorbeeld gisteren in Kopenhagen dat de VS bereid zijn om een „eerlijk deel” bij te dragen, maar dat donoren niet beschikken over „ongelimiteerde vrijgevigheid”.