Overal is er minneluim

Foto: Mark Manders Manders, Mark

Marije Langelaar: De schuur in. De Arbeiderspers, 70 blz. € 16,95

Marije Langelaar debuteerde zes jaar geleden als dichter met De rivier als vlakte. Die eerste bundel toonde avontuurlijke beeldspraak, waarin alledaagse verwondering en erotiek een heel eigen vorm kregen. Dat het geen eendagsvlieg was, bewijst nu De schuur in. Ook in Langelaars nieuwe poëzie voeren de beelden een suggestief spiegelgevecht met verlangen en werkelijkheid. In ‘Appel’ bijvoorbeeld:

Ik liep een appel binnen

nauwe pitachtige kieren

frisse wanden

zong de schil los

kneep de vrucht

en dan het kraken

het zinken in een lichaam zo

vreemd gelijk aan een put

Het is vooral de verrassende eenvoud die hier een poëtisch raadsel schept, dat ook bij herlezing in stand blijft. Er wordt een appel gegeten, maar zo zinnelijk dat zich een zee van andere betekenissen loszingt.

Als weinig andere dichtende tijdgenoten beschikt Marije Langelaar over een volstrekt vrije, wervelende blik. Opvallend dan is de encyclopedische ordening die ze in drie afdelingen in De schuur in beproeft. Die indeling laat zich kort samenvatten als ‘Mens, vrouw en man’. De bundel opent met ‘Het hoofd is schoorsteen en deksel’, een intrigerende collage van middeleeuwse ideeën over het menselijk lichaam en de werking daarvan. Het is de opmaat tot een reeks van 22 zeer verscheiden gedichten, die één gemeenschappelijke noemer hebben: lijfelijkheid, zoals ‘Appel’:

Eerst grist de herfst de kleur uit haar gezicht dan

trekken de

organen wit weg. Pas op met die schaar!

We zitten om het bed haar adem ritselt in longen

van kranten.

We houden haar handen zo kunstig door

origami-artiesten

gevouwen bij een klein hoekje vast.

Wanneer we haar wegdragen is zij al pulp.

Ons verdriet is een lastige vorm het

misdraagt zich

we stokken en slaan het,

rijden het dang dang dang weg.

Het onvoorspelbare verloop van dit vers kenmerkt ook de gedichten in de afdelingen ‘Vrouw’ en ‘Man’. Elk daarvan heeft een opmaat die ontleend lijkt aan de in 1620 in Rotterdam gepubliceerde Epitheta van Anthoni Smyters. Zoals Smyters de woorden in hun begrippenveld plaatste, formuleert Langelaar de associatie die vrouw en man bij haar oproepen. Ze doet dat in een strakke, maar niettemin verrassende driedeling. De ordening begint met werkwoorden waarmee vrouw (en in de derde afdeling man) als lijdend voorwerp geassocieerd is. Dan volgen werkwoorden waarmee vrouw als onderwerp geassocieerd is. En de driedeling besluit met bijvoeglijke naamwoorden waarmee vrouw geassocieerd is. Dat het lijdend voorwerp vooropstaat, is geen toeval. Er wordt wat afgeleden in De schuur in, al gaat het doorgaans om het dubbelhartig lijden van de minneluim.

Waar het om lijfelijke liefde gaat, schuwt Langelaar geen woord, en vrijwel altijd zijn haar woorden raak. Niet zonder inlevingsvermogen geeft ze in ‘Skelettenkopje’ stem aan de hormoonwerking in een jongenslijf. Het bilvlees rilt dan in de broek, het hart vliegt rechtstreeks het dak in, en ‘al je organen in de rij voor een beurt van / haar ogen’. En even zinnelijk, maar toch subtiel formuleert ze de mannelijke liefdesvreugd: ‘ooh wat een wilde dag / wat een wilde vriendin / en wat een wild gras!’

Er is maar één moment waarop de erotische beeldspraak ranzig en daardoor ongeloofwaardig wordt. Dat gebeurt in het gedicht ‘Pasen’, in de afdeling ‘Vrouw’. Naast de eieren, de chocolade en het gesuikerde brood verschijnt daarin een paashoer, die de eitjes verstopt. De mannetjes mogen dan weer binnen: ‘wat een spel / en de paashoer die kirde / op het mooiste moment haalde zij een / baby uit haar slof.’ Hoeveel overtuigender en pregnanter is dan het vers op de pagina ernaast. Dat roept de jongens van toen uit hun schuilplaats ‘ver in het vlees, in kieren, gedachten’.

ze schuiven met tijd

herschikken levens

voegen wat glans toe

kijken mij stralend weer aan

maar in mijn echte bed wacht de slaper

met zijn nek tot het laken

hij draait me duwt me dit heden

steeds toe

Anders dan ‘Pasen’ houdt dit gedicht met verrassende eenvoud de verbeelding van de lezer open. Dat is ook wat ik van poëzie verlang. Bert Schierbeek noteerde het al: ‘door te vliegen / houden vogels / net als dichters / het raadsel in stand.’ ‘Pasen’ is een gekortwiekt vers, maar in de andere 51 teksten in De schuur in gaat de poëzie op wieken.

    • Arie van den Berg