Ontglippen

Ik ben niet goed in het onthouden van gezichten. Wanneer ik mijn ouders terugzie, denk ik dat ze zijn veranderd. Ze lijken niet, denk ik. Maar ze lijken niet op hoe ik ze heb onthouden.

Ik heb ze net uitgezwaaid. Toen we afscheid namen, probeerde ik hun gezicht in me op te nemen. Ik deed alsof mijn ogen de sluiter van een camera vormden. Flits, dacht ik terwijl ik de ogen van mijn moeder probeerde vast te leggen. Flits, bij het gezicht van mijn vader.

Hoe dierbaarder iemand me is, hoe meer zijn of haar gezicht me ontglipt. Mijn vriend, die nu een paar dagen in Berlijn is, bestaat uit niet meer dan een vlek in mijn gedachten. In het gezicht van mijn kinderen vind ik hem soms terug.

Wanneer ik in de spiegel kijk, kan ik mijn moeder tegenkomen. Als ik mijn lippen stift, wat ik niet anders kan dan door – net als mijn moeder – mijn mond in een streep te persen en de stift er krampachtig langs te trekken, zie ik haar.

Ook in de vorm van de lippenstift herken ik mijn moeder. Zij maakt de lippenstift plat, met een heel klein tuitje. Ik maak lippenstiften precies zo, terwijl ze me nooit heeft laten zien hoe ik mijn lippen moet stiften. Die beweging zit in de hand die ik van haar heb gekregen.

In de film Fishtank beweegt de vijftienjarige Mia zich net als haar moeder. Het is op het oog het enige dat hen bindt. Mia woont met haar moeder en elfjarig zusje in een klein appartement in een onooglijke flat in het Engelse Essex. Haar moeder ziet eruit alsof ze hooguit twaalf jaar ouder is dan zijzelf. Fuckface noemen ze elkaar.

Alles gaat mis in Mia’s leven. Haar normale omgang met haar moeder en zus bestaat uit ruzie. Ze breekt met haar vriendinnen nadat ze een van hen een kopstoot heeft gegeven. Ze gaat niet meer naar school. Het enige wat Mia boven haar wereld uit kan tillen, is dansen. Ze danst in een leegstaand appartement. Hiphop en street-style, net als de rappers naar wie ze luistert en van wie ze het dansen imiteert.

De nieuwe vriend van Mia’s moeder – op wie Mia verliefd wordt – brengt wat vrolijkheid in het leven. Totdat hij Mia in een dronken bui ontmaagdt en uit haar leven verdwijnt.

Er is een mager paard dat op een weitje langs de snelweg staat. Mia lijkt zich met het dier te vereenzelvigen. Ze probeert keer op keer tevergeefs de ketting om de nek van het dier open te breken. Het paard sterft.

Het is volkomen duidelijk dat Mia nooit zal ontsnappen aan haar omgeving. Ze haat haar moeder, die zegt dat ze haar had willen laten aborteren. En ze houdt van haar, wanneer ze haar tassen heeft gepakt om weg te gaan, en haar moeder huilend ziet dansen, op haar muziek.

Ze weten zich niet goed raad met elkaar als ze geen ruzie maken. Mia danst een beetje als een onhandige man, en torent boven haar moeder uit. Haar moeder, die tegenover haar staat, is voor het eerst verlegen. Ze maken gelijke bewegingen. Draaien met de heupen, tillen de ellebogen op als vleugels.

Het zijn deze bewegingen die troost geven: we horen bij elkaar. En het zijn deze bewegingen die het moeilijk – zo niet onmogelijk – maken boven je omgeving uit te stijgen.