Liever overleg dan op de barricade

Op 13 mei 1909 werd in het Geheelonthouderskoffiehuis in Arnhem het CNV opgericht. Een eeuw vakbondshistorie van een ‘embedded’ biograaf.

Piet Hazenbosch: Voor het volk, om Christus’ wil. Een geschiedenis van het CNV. Verloren, 860 blz. € 69,-.

Paul Werkman en Rolf van der Woude (red.): Wie in de politiek gaat, is weg? Protestantse politici en de christelijk-sociale beweging., Verloren, 368 blz. € 29,-.

Een boek dat begint met een citaat van je grootvader, die je daarna nog 58 keer in woord en beeld tegenkomt, bespreek je niet zonder trotse vooringenomenheid. In de eerste decennia van de vorige eeuw was textielwever Herman Amelink (1881-1957) secretaris-penningmeester van het Christelijk Nationaal Vakverbond, dat dit jaar 100 jaar bestaat. Naar deze founding father van de christelijke vakbeweging werd ik vernoemd.

Het CNV vormde – met de Antirevolutionaire Partij (ARP), de Gereformeerde Kerken, de Vrije Universiteit (VU) en de NCRV – een deel van de protestants-christelijke zuil. Maar dat was nooit zo bedoeld door de oprichters. Ze hadden het vakverbond oorspronkelijk opgezet als een interconfessionele organisatie: protestants én rooms-katholiek. Maar kort na de oprichting van het CNV in 1909 bevalen de bisschoppen de oprichting van een rooms-katholieke vakbeweging, die onder toezicht van het episcopaat kwam te staan. In 1912 verboden zij katholieke textielarbeiders zelfs expliciet lid te blijven van het interconfessionele Unitas, de bij het CNV aangesloten bond van textielarbeiders die nota bene mede was opgericht door kapelaan Alphonse Ariëns (1840-1928). In 1919 verlieten uiteindelijk ook de katholieke mijnwerkers het CNV. Pas in 1975, toen de socialistische vakcentrale NVV en de katholieke vakvereniging NKV opgingen in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), sloten enkele katholieke bonden zich weer bij het CNV aan.

Binnen de protestants-christelijke zuil zat het CNV steeds aan de linkerkant. Van klassenstrijd en socialisme moest het CNV weliswaar niets hebben, maar dat wilde niet zeggen dat het verbond kritiekloos tegenover de maatschappelijke orde stond. Het verbond verwachtte het heil niet van de Staat, maar van een goed gereguleerde samenwerking tussen werkgevers- en werknemersorganisaties. Daartoe kwam ze met voor die tijd radicale voorstellen.

In 1921 publiceerde Amelink een brochure over de noodzaak van medezeggenschap van de arbeiders in de bedrijven, wat hem op felle tegenstand uit eigen kring kwam te staan. Herman Dooyeweerd (1894-1977), hoofd van het partijbureau van de ARP en later hoogleraar aan de VU, noemde de gedachte aan medezeggenschap ‘een formidabele onlogische absurditeit […], een constructie die geheel past in de individualistische filosofie der revolutionaire democratie, geen God, geen meester.’

Na Dooyeweerds breedvoerige bestrijding van Amelinks argumenten reageerde laatstgenoemde in het CNV-blad De Gids cynisch: ‘Wij zullen niet opnieuw onze argumenten tegenover die van dr. Dooyeweerd stellen. Het zou toch niets geven. Het artikel [van Dooyeweerd] is een geleerde wetenschappelijke verhandeling. Wij zijn daarbij geen partij voor den heer Dooyeweerd. Wij mogen daarvoor wel onze verontschuldigingen aanbieden! Wij zijn nu eenmaal geen jurist en geen doctor in de Staatswetenschappen. Als verzachtende omstandigheid moge dienen dat wij slechts tot ons 12de jaar lager onderwijs genoten.’

Op 13 mei van dit jaar, toen het op de dag af honderd jaar geleden was dat het CNV in het Christelijk Geheelonthouderskoffiehuis te Arnhem werd opgericht, promoveerde Piet Hazenbosch, beleidsadviseur van het CNV-bestuur, aan de Vrije Universiteit op de geschiedenis van de vakbond. In twaalf parallel opgezette hoofdstukken vertelt hij de historie. Elk hoofdstuk begint met ledentallen en organisatorische kwesties. Daarna volgen het sociaal-economisch beleid, de sociale zekerheid, medezeggenschap, de positie van de vrouw en de relaties met politieke partijen en andere organisaties. Het boek is volkoren krentenbrood, ronduit zwaar te verteren door de informatiedichtheid en Hazenbosch’ neiging geen detail ongenoemd laten. Het duizelt je van projectgroepen, werkgroepen, strategiediscussies, adviezen, nota’s en rapporten – onmiskenbaar een nadeel van een ‘embedded’ biograaf die veel zelf heeft meegemaakt. Een veelzeggende anekdote is dan een aangename onderbreking.

Maar onmiskenbaar voordeel is dat er nu een naslagwerk ligt dat over honderd jaar nog geciteerd zal worden. De gekozen opzet maakt het makkelijk het boek op één bepaald aspect door te nemen. En wie het geheel leest, ontdekt hoe de vakvereniging zich in honderd jaar heeft ontwikkeld van een verzuilde belangenorganisatie met bijbehorend familiegevoel naar een functionele organisatie die dienstverlening biedt aan haar leden. Bij alle veranderingen heeft het CNV zijn eigen nestgeur behouden. Liever langdurig overleg dan confrontatie, en geen politieke stakingen.

Vooral de relatie tussen CNV en ARP (later CDA) is een aanhoudende bron van spanning, zo blijkt uit het boek. Tijdens het interbellum was er steeds discussie over de vraag hoeveel vertegenwoordigers van het CNV er in het parlement moeten zitten. Er ging in de loop der jaren een aanhoudende stroom van CNV’ers richting de politiek. Chris Smeenk, Herman Amelink, Cees Hazenbosch, Bauke Roolvink, Jaap Boersma, Gerrit Terpstra, Aart Jan de Geus, Jan Jacob van Dijk, Cees van der Knaap, Gerda Verburg, belandden in het parlement of kabinet. Balkenende bekleedde een leerstoel aan de VU, die deels door het CNV werd gefinancierd. Het CNV had zo een stem, althans een luisterend oor in Den Haag. Maar dan was er telkens weer teleurstelling, als opnieuw bleek dat de politiek haar eigen wetmatigheden heeft die niet steeds met de belangen van de vakbeweging sporen.

Daarvan spreekt ook het tweede boek. Het CNV maar ook andere protestantse maatschappelijke organisaties zagen in de loop der jaren hun vertegenwoordigers vertrekken naar de politiek. In de bundel Wie in de politiek gaat, is weg? zijn tien van hen geportretteerd, onder wie Barend Biesheuvel (Christelijke Boeren- en Tuindersbond), Hannie van Leeuwen (Christelijke Plattelandsvrouwen), Koos Andriessen (Christelijke Werkgevers) en Louw de Graaf (CNV). Centrale vraag: drijven politici onvermijdelijk weg van hun oude strijdmakkers als ze op het pluche zitten? Een vraag die nog niets aan actualiteit heeft ingeboet.

    • Herman Amelink