Kees de jongens

In de toneelversie van ‘Kees de jongen’ van Theo Thijssen door De Toneelmakerij is held opgesplitst in 'Kees 1' en 'Kees 2'. De innerlijke en uiterlijke wereld van de beroemde straatjongen lopen steeds meer uit elkaar.

De armen wijd opzij zwaaiend, als schaatsers die vaart maken, het lichaam naar achteren gebogen, en de benen naar achteren slingerend. Daar gaan de Amsterdamse straatjongens Kees, Kees en De Veer. Ze doen de zwembadpas. Op een rijtje, frontaal naar het publiek, ongeveer synchroon. Tamar van den Dop komt langzij, zij speelt de moeder van Kees. Zij behoort duidelijk niet tot de fans van de zwembadpas: „Doe toch niet zo mal met je armen. Je lijkt wel een ongelukkige jongen. De zwembadpas? De malle-apenpas zal je bedoelen.”

Het is een donkere dinsdagmiddag in Zutphen en in de schouwburg repeteert De Toneelmakerij aan de familievoorstelling Kees de jongen, die 18 december in Haarlem in première gaat. De talrijke aanbidders van de roman van Theo Thijssen, waarop het toneelstuk is gebaseerd, kunnen gerust zijn: vrij snel na het begin komt de legendarische zwembadpas voorbij. In Zutphen moet de scène een paar keer over. Een van de twee Kezen valt aanvankelijk verkeerd in, maar dat ligt volgens hem aan de anderen. Hij corrigeert ze: „De zwembadpas is met je armen links gaan als je met je rechterbeen naar voren gaat.”

Hiermee lost hij meteen een tachtig jaar oud probleem op, want over de juiste choreografie van de zwembadpas kunnen de fans lang twisten. Bedenker Theo Thijssen geeft slechts als aanwijzing: „Als je ’s goed opschieten wou; moest je voorover gaan lopen, net of je telkens vièl, en dan maar met je armen zwaaien, heen en weer.”

Alvast nog een geruststelling voor de fans: op de poster staat weliswaar een Kees met een moderne honkbalpet, sportschoenen en achter hem een graffiti-Kees, maar deze nieuwe toneelversie is wel degelijk gewoon in de historische setting, met de vooroorlogse taal, deels in volks Amsterdams. Een sukkel heet nog steeds een ‘dooie’, een gum heet een ‘vlak’ en een jasje heet een ‘buisie’. Regisseur Liesbeth Coltof plaatst haar twee Kezen in een decor van zeven Amsterdamse boogbruggen, met voor op het podium twee stoelen, een tafel, en een bed, waarin de vader van Kees ligt, met de tering.

Kees de jongen (1923) is de schepping van de Amsterdamse schrijver, onderwijzer en socialist Theo Thijssen (1979-1943), die in hem veel van zijn eigen jeugd stopte. Net als Kees was Thijssen zoon van een schoenmaker, in een middenstandersgezin dat enigszins boven de diepste armoede van de Amsterdamse Jordaan was verheven. Net als Kees verloor Thijssen op jonge leeftijd zijn vader, waarna het gezin tot armoede verviel. Hoogstwaarschijnlijk leek hij ook innerlijk op Kees: een jongen die zijn zwerftochten over de Amsterdamse grachten kleurt met dagdromen waarin de volwassenen ineens ontdekken hoe bijzonder Kees eigenlijk is, waarna hij snel een beroemde held wordt. Een schilder, dan weer een musicus, of een vloeiend Frans sprekende toeristenhulp.

Van die dromen komt natuurlijk niets terecht. Na de dood van zijn vader moet Kees van school om als magazijnbediende de kost te verdienen. Op zijn twaalfde is zijn kindertijd al voorbij. Maar een held is hij inmiddels toch. Vooral omdat velen zich herkennen in zijn vlucht in de dromerij. In het boek staat uitgebreid een gewoonte beschreven waarvoor veel mensen zich schamen. Jezelf een groot schrijver dromen, of een doortastende don juan, of gewoon een ontroerende grafredenaar op de toekomstige begrafenis van een geliefde; het is te kinderachtig, te kwetsbaar en te diep om het met iemand te delen.

Liesbeth Coltof: „Hoe Kees naar de wereld kijkt, en eraan probeert te ontsnappen; dat herkent ieder kind en iedere volwassene. De persoonlijkheid die je aan de buitenwereld laat zien is doorgaans een bleke, onbeholpen versie van wie je werkelijk bent. Ook heel herkenbaar voor kinderen is de neiging om de zorgen te willen overnemen van hun ouders. Kinderen zijn enorm gespitst op de gemoedstoestand van hun ouders. Kees neemt letterlijk de zorg over, dat is in deze tijd uitzonderlijk. Maar oververantwoordelijke kinderen doen dat op een andere, meer subtiele manier nog steeds.”

De Toneelmakerij ontstond begin dit jaar uit een fusie tussen Huis aan de Amstel en Wederzijds. Als grootste jeugdtheatergezelschap van het land heeft zij de opdracht om jeugdtheater te maken voor de grote zalen van de schouwburgen. Jeugdtheater speelt namelijk doorgaans alleen in kleine zalen, voor een beperkt publiek. Van een collega kreeg Coltof de toneelversie die Gerben Hellinga in 1970 maakte van Kees de jongen. De legendarische uitvoering van toneelgroep Centrum, in de regie van Peter Oosthoek met in de hoofdrollen Hans Dagelet en Wim van der Grijn, roept bij de velen die erbij waren dierbare herinneringen op.

Met verbazing constateert Coltof dat in de oerversie meer dan twintig acteurs op het podium stonden. Die tijd is voorbij. Maar voor een jeugdvoorstelling heeft zij het ook royaal aangepakt, met acht acteurs, die zich doorlopend verkleden voor de dubbelrollen, waardoor het toch lekker vol is op het podium. Ook met de kostuums heeft Coltof grootser uitgepakt dan gebruikelijk in het gesubsidieerd theater voor kinderen. In de coulissen staat een blad klaar met vele snorren en pruiken. De spelers dragen historische kostuums, met petten, lange rokken, vestjes. Maar alle kostuums hebben een anachronistisch accent. Felle kleuren en bonte motieven breken het crisisbruin, waardoor de kleding ook aan de twenties-revival van begin jaren zeventig doet denken.

Nieuw aan deze versie is de toevoeging van een handvol liederen, gecomponeerd door Maarten van Roozendaal en Theo Nijland. Coltof: „Het moet geen musical worden, de bijzondere taal en de wereld van Kees zijn zo nauw met elkaar verbonden dat het teksttheater moet blijven. Maar ik wilde wel bepaalde scènes extra nadruk geven door er een lied bij te maken. De vader zingt bijvoorbeeld Kees toe, als hij net is overleden. En de moeder krijgt een lied; ze komt in het stuk wat knorrig en hard over, ik vind dat ze door zo’n lied wat meer begrip voor haar strijd krijgt. Kees en zijn stille liefde Rosa Overbeek krijgen een liefdesduet. Theo Nijland heeft subtiele liedjes geschreven, begeleid door klassieke instrumenten, zoals een bügel en een cello. Maarten van Roozendaal is de aangewezen persoon om een Jordanees levenslied te componeren.”

Gerben Hellinga’s meesterzet is dat hij de rol van Kees laat spelen door twee acteurs. De een speelt de gewone Kees, de tweede vertolkt zijn innerlijke Kees, vooral de dagdromen. In de nieuwe versie worden zij gespeeld door de twintigers Steyn de Leeuwe en Chiem Vreeken. Ze zien er aandoenlijk uit, met hun identieke petten en hun identieke korte broeken. Terwijl de alledaagse Kees met een vriendje praat over „de schuine Kaapse”, „De Pers” en andere postzegels, blikt de revêrie-Kees de zaal in met een ver-weg-blik en glimmende wangen. Achter hem, op de brug, verschijnt in een droomgezicht Rosa Overbeek, die dit keer fel rood haar heeft en accordeon speelt.

Coltof: ,,In het begin staan de jongens dicht op elkaar, ze maken steeds synchrone bewegingen. Ze kijken tegelijk om of ze tillen tegelijk een arm op. De innerlijke en de uiterlijke Kees vallen nog samen. Gedurende het stuk blijkt de werkelijkheid steeds weerbarstiger en drijven de twee Kezen uit elkaar. De harde realiteit laat niet meer zoveel fantasie toe, zeker niet als de vader sterft. De Kezen krijgen ook ruzie. Kees 1 verwijt Kees 2: je vader is dood, dan ga je toch niet over een meisje lopen dromen.”

De voorstelling begint druk en vol. Kees loopt veel op straat, ziet veel, droomt veel. Later zit hij steeds meer binnen, het wordt op het podium steeds stiller om hem heen. Op het laatst gaat Kees 2 weg. Kees 1 blijft alleen achter.

Coltof: „Het is een verdrietig verhaal, maar Kees is niet van plan om zijn leven alleen verdrietig te laten zijn. De rol van zijn fantasie zal wellicht minder groot zijn, maar Kees behoudt zijn onverwoestbare vermogen om alles wat hem overkomt een positieve draai te geven. Als hij eindigt als magazijnbediende vinden wij dat heel triest, maar hijzelf vindt het geweldig: nu gaat het echte leven beginnen.”

En hij krijgt Rosa Overbeek.

„En hij krijgt Rosa Overbeek.”

‘Kees de jongen’ van de Toneelmakerij. Vanaf 8 jaar. Première 18 december in de Haarlemse schouwburg. Tournee t/m 21 febr. Inl: www.toneelmakerij.nl