'Ik had geen tijd voor verkwisting'

In 1936 vluchtte Hans Keilson naar Nederland, om in de oorlog met een vals paspoort onder anderen ondergedoken kinderen te bezoeken. Romans maakten de arts, die hij vooral was, beroemd.

‘Ik spreek graag een beetje ironisch over mezelf”, zegt Hans Keilson halverwege het gesprek. De uitspraak typeert de bijna honderdjarige Bussumse arts-schrijver, die een relativerende indruk maakt en af en toe naar zelfspot neigt. „Pathos is mij volslagen vreemd”, zegt hij even later als hem gevraagd wordt naar zijn voorkeuren binnen de literatuur en muziek.

Hans Keilson (1909) maakt een broze maar uiterst levendige indruk. Hij formuleert glashelder en zijn geheugen laat hem zelden in de steek. Moeiteloos en niet geheel zonder koketterie („ik ben ook een beetje ijdel”) citeert hij diverse keren uit zijn vóór de oorlog geschreven gedichten. De hoogbejaarde is nog steeds reislustig. Het interview heeft plaats in een hotel in Wenen, waar Keilson zijn vrouw vergezelt die als literatuurwetenschapper aan een congres deelneemt.

Aanvankelijk gaat het gesprek niet zozeer over literatuur. Keilson belicht liever zijn sportieve kanten en weidt uit over de estafetteloop Potsdam-Berlijn waaraan hij omstreeks 1930 deelnam, toen hij in Berlijn medicijnen en sport studeerde. Na zijn afstuderen werd hij zwem- en gymnastiekleraar aan diverse scholen, omdat hij als Jood niets met de medische praktijk te maken mocht hebben. Ook over zijn activiteiten als trompettist in een klein studentenorkest en zijn passie voor de vioolmuziek vertelt hij met verve.

Dan pas, en na enig aandringen, wil hij over zijn vaak bekroonde literaire werk spreken. Zijn in 1933 verschenen romandebuut Das Leben geht weiter bijvoorbeeld, waarin hij het verhaal vertelt van zijn vader: de neergang van een Joodse winkelier tijdens de Weimarrepubliek. Of over de tragikomische, in 1947 bij Querido’s Duitstalige afdeling verschenen novelle Komödie in Moll, waarin hij zijn ervaringen als onderduiker in Nederland kon verwerken.

Keilsons meesterwerk is de zojuist in een herziene vertaling van Frank Schuitemaker verschenen roman In de ban van de tegenstander (Der Tod des Widersachers), waaraan hij in 1942 begon en die pas in 1959 werd voltooid. Deze roman, een briljant tijdsbeeld, speelt zich af in Duitsland tijdens de opkomst van het nationaal-socialisme. De pathetische redevoering van de jonge Hitler ergens in de provincie, de schending van een Joods kerkhof door een jeugdbende of de grimmige sfeer in een Berlijns warenhuis: het zijn fragmenten die zich blijvend in het geheugen van de lezer verankeren.

De verteller van de roman haat Hitler, aan wie wordt gerefereerd met het initiaal ‘B.’, maar is tevens door hem gefascineerd. Hij probeert zich in hem te verplaatsen, hem te doorgronden, zijn vijandige houding nuchter te analyseren. Tijdens een bijeenkomst hoort hij ‘B.’ spreken en realiseert zich dat hij iets te weten komt over ‘mijn eigen vernietiging’. Achter de extatische haattiraden van ‘B.’ herkent hij diens verdrongen zelfhaat. ‘Alles maakt hij kapot. Het is de eigen vernietiging die hem drijft.’

De symbiotische verbondenheid van daders en slachtoffers, het centrale thema van In de ban van de tegenstander, komt ook op andere plaatsen in Keilsons werk aan bod. Bijvoorbeeld in zijn heldere en elegant geschreven essays zoals het grote Faszination des Hasses (1997). Of in het beroemde gedicht Bildnis eines Feindes (1939), dat begint met de regels: ‘In jouw gezicht ben ik de rimpel / ingekerfd om je mond /als hij spreekt: jij jodenhond’ – en dat eindigt met de even onvergetelijke als onvertaalbare woorden: Denn deine Stirn ist stets zu klein, um je zu fassen: / ...ein Tropfen Liebe würzt das Hassen.

Uw debuut ‘Das Leben geht weiter’ verscheen in 1933 vrijwel gelijktijdig met Hitlers machtsovername.

„Het was het laatste boek van een Joodse schrijver dat nog kon verschijnen bij S.Fischer Verlag. Een jaar later werd het verboden. Mijn toenmalige lector Oskar Loerke zei tegen mij, dat was geloof ik in 1934: ‘Maakt u dat u wegkomt. Ik vrees het allerergste’.”

Deelde u zijn mening? Heeft u het gevaar van het nationaal-socialisme meteen juist ingeschat?

„Nee, integendeel, ik was juist heel naïef in die tijd, net zoals zoveel Duitsers. Ik dacht dat het na enkele maanden weer voorbij zou zijn, het leven zijn normale loop zou nemen. Om een indruk van mijn toenmalige gemoedstoestand te geven: mijn levensgezellin uit die jaren, Gertrud Manz, was grafoloog en had zich met psychologie beziggehouden. Bij het zien van Hitlers handschrift riep ze uit: ‘Die steekt de wereld in brand’. Mijn letterlijke reactie was toen: ‘Du bist verrückt.’ ”

Hoe bent u in Nederland terechtgekomen en hoe verliepen de jaren voor de oorlog?

„Gertrud Manz had kennissen in Amsterdam, die ze in 1935 opzocht, als het ware om kwartier voor ons te maken. In de herfst van 1936 zijn we vanuit Berlijn naar Amsterdam verhuisd. Ik leerde snel Nederlands, vooral aan de hand van de voetbalreportages op de radio van de legendarische Han Hollander. Ook legden we meteen contacten. Toch was het, zeker in materieel opzicht, een uiterst moeilijke tijd omdat ik niet kon werken en moest leven van gelegenheidsbaantjes. Heel belangrijk voor mijn gevoel van eigenwaarde waren de contacten met het katholieke literaire tijdschrift De Gemeenschap, waar tussen 1937-1939 diverse gedichten van mij zijn verschenen. Anton van Duinkerken, die ik ook persoonlijk heb leren kennen, zorgde voor de bemiddeling.”

Hoe heeft u de Duitse bezetting overleefd?

„Ik zat ondergedoken op diverse plaatsen in Nederland. Eerst verbleef ik in de Rekkense Inrichtingen bij Enschede, later onder meer in Delft bij de familie Rientsma, die model heeft gestaan voor het echtpaar uit mijn tweede roman Komedie in mineur. Ik beschikte over een uitstekend vervalst paspoort, dat nota bene door de Amsterdamse politie op zijn ‘betrouwbaarheid’ werd getest. Als koerier en arts voor de verzetsgroep ‘Vrije Groepen Amsterdam’ reisde ik door het hele land om ondergedoken Joodse kinderen op hun schuiladressen te bezoeken en moed in te spreken. Een gevaarlijke taak die ik met veel geluk heb overleefd. Rond 1942 ben ik begonnen aan In de ban van de tegenstander. Ik verstopte het manuscript in een broodtrommel in de tuin van mijn onderduikadres, na de oorlog heb ik het opgegraven.”

U wilde na de oorlog niet terug naar Duitsland?

„Nee, Duitsland was voor mij geen optie meer. Ik had er slechte ervaringen opgedaan en het land was compleet platgebombardeerd. Bovendien had ik inmiddels in Nederland mijn vriendenkring en vond er spoedig werk.”

Uw bekendste roman ‘In de ban van de tegenstander’ verscheen in 1959 niet bij uw vaste uitgever Fischer, maar bij het kleine Westermann in Braunschweig.

„De beroemde chef-lector van Fischer, Rudolf Hirsch, zelf van Joodse afkomst, vond de manier waarop ik de vijand afbeeldde, niet passend en veel te mild. Hij wilde het boek niet uitgeven. Ik vond en vind nog steeds dat de slachtoffers en de daders op elkaar zijn aangewezen, elkaar nodig hebben om te leven – zoals ik het met de centrale ‘parabel van de elanden’ in In de ban van de tegenstander heb geprobeerd te verwoorden. Mijn roman werd aanvankelijk in Duitsland nauwelijks opgemerkt. In Israël wekte het boek zelfs irritaties op.”

De Amerikaanse vertaling daarentegen werd uitstekend ontvangen. ‘The Death of the Adversary’ stond in 1963 zelfs bij Time Magazine op de lijst met de tien belangrijkste literaire titels, naast werken van Nabokov, Faulkner, Borges en Philip Roth.

„Ja, dat heeft mij veel plezier gedaan. Vooral de opmerking van een recensent dat de roman veel duidelijk maakte van de Duitse mentaliteit vóór 1945, en dat het boek een oplossing voor veel problemen had kunnen betekenen als men het enkele decennia eerder had gelezen.”

U bent pas rond 1980 beroemd geworden.

„Ja, dat lot deelde ik met veel andere Exil- schrijvers, die pas laat herontdekt werden. Zelfs Joseph Roth, Ernst Weiß of Ernst Toller waren in Duitsland lange tijd vergeten. Rond 1980 werden mijn boeken opnieuw uitgegeven. Ze werden toen ook besproken en bediscussieerd. Rond dezelfde tijd werd ik voorzitter van de Duitse Exil-PEN, de vereniging van Duitstalige schrijvers in het buitenland, wat misschien ook tot mijn bekendheid heeft bijgedragen. Overigens heb ik nooit veel moeite gedaan om er in literair opzicht bij te horen. Ik heb mijn identiteit vooral als arts en hulpverlener gevonden.”

Als honderdjarige maakt u nog steeds een uiterst geïnteresseerde en vitale indruk.

„Ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar de dag van morgen, naar nieuwe mensen en ideeën. Ieder heeft zijn eigen specifieke levensverhaal en als arts kon ik daar goed naar luisteren. Ik ben ook altijd heel vlijtig geweest, anders zou ik waarschijnlijk nooit zo oud zijn geworden. Ik had geen tijd voor een verkwistend leven.”

Hans Keilson: In de ban van de tegenstander. Volledig herziene vertaling van Frank Schuitemaker. Van Gennep, 240 blz. € 17,90.

    • Wil Rouleaux