Hij had nauwelijks iets met zichzelf gemeen

Alles is ambivalent – in het werk maar ook in het leven van Franz Kafka. De Duits-Tsjechische, joods-antizionistische, passief-agressieve schrijver is op 16 januari lijdend voorwerp van de Leesclub Live op het Winternachtenfestival.

Franz Kafka heeft ons het woord kafkaësk gegeven – een woord dat naarmate Kafka minder wordt gelezen, almaar populairder is geworden. In de tijd van de mondige burger wordt iedere ambtelijke hindernis of bureaucratische onhandigheid al gauw als een existentieel teken aan de wand gezien, waarbij het individu zich vermorzeld ziet door een gezichtsloze overheid. Kafkaësk! Kafkaiaans! Of: dit is gewoon Kafka! De naam van de Tsjechische modernist wordt nu vrijwel altijd in de beschuldigende vorm gebruikt; hij is de openbare aanklager in het permanente proces tegen de organisatie. Hij wordt aangeroepen bij een afgekeurd bestemmingsplan of het uitblijven van een parkeervergunning. Wie door een woordvoerder of de klantenservice van het kastje naar de muur wordt gestuurd, voelt zich al snel Josef K.

Zo’n gerieflijke interpretatie van Kafka’s thematiek – het onschuldige individu bekneld in een gewetenloze staatsmachinerie – is een staaltje van gezonken cultuurgoed. In de tijd van de totalitaire regimes was het een opvatting waarbij je je nog iets kon voorstellen. Het leek zelfs alsof Kafka in zijn werk, dat bij zijn dood aan tuberculose in 1924 grotendeels onaf was en tegen zijn uitdrukkelijke wil vooral postuum werd gepubliceerd, de fluisterterreur van het communisme had voorspeld. Zijn beroemdste roman, Het proces, leek met zijn sfeer van absurde willekeur een groteske samenvatting van wat nog te gebeuren stond in zijn geboorteland. Tijdens het communistische bewind in Tsjechoslowakije waren Kafka’s boeken dan ook verboden.

Ook de vernietigingsmachinerie van de nazi’s leek te worden aangekondigd in zijn romans en verhalen. Aan Milena Jesenská, een van zijn grote correspondentieliefdes, schreef hij, nadat hij getuige was geweest van een uitbarsting van Jodenhaat in de straten van Praag, dat blijven onder zulke omstandigheden even weinig heroïsch was als de hardnekkigheid van kakkerlakken die zich niet laten verdelgen (‘auszurotten’). De nazi’s verafschuwden hem vanzelfsprekend, al is er geen bewijs gevonden voor het verhaal dat zijn boeken tijdens de jaren dertig door hen werden verbrand (hij was toen waarschijnlijk nog niet bekend genoeg). De drie zusters van Kafka kwamen om in de concentratiekampen.

Behalve zijn werk werd ook het leven van Kafka zelf als bijzonder kafkaësk gezien – het populaire beeld van hem als hologige vleermuis, een man die iedere seconde van zijn leven leed onder zijn eigen nietswaardigheid, die zich vermorzeld wist door de hoog boven hem uit torende vader Hermann, die liever obsessieve brieven schreef aan zijn verloofde Felice Bauer dan haar op te zoeken, die niet naar zijn eigen magere lichaam kon kijken zonder zichzelf met een insect te vergelijken. Zijn leven was één langgerekt voorspel op een afschuwelijke dood. Hij was gedwongen zijn dagen te slijten in dienst van een verzekeringsmaatschappij, terwijl hij alleen maar wilde schrijven. Hij woonde bijna tot het einde bij zijn ouders in Praag, terwijl hij alleen maar wilde trouwen.

Dat enkelvoudige beeld is in het verleden al vaak bijgesteld – de getourmenteerde Kafka van de brieven en dagboeken had ook een verrassend wereldse kant. Hij was een knappe, charmante man, die er veel jonger uitzag dan hij was. Hij was altijd goedgekleed, meisjes en vrouwen waren dol op hem, hij bracht vele avonden met zijn vrienden in cafés en literaire sociëteiten door. Hij mocht een afkeer van seks hebben, hij ging niettemin regelmatig naar de hoeren. Hij las graag voor uit zijn eigen werk, vaak meteen nadat hij het geschreven had. En hij had gevoel voor humor. Zijn beste vriend Max Brod schreef dat Kafka het voorlezen van hoofdstuk 1 van Het proces steeds moest onderbreken door het lachen van zijn vrienden – en van hemzelf.

En was Kafka wel echt zo beklagenswaardig? Critici durven tegenwoordig kanttekeningen te plaatsen bij het zelfbeeld in de dagboeken en brieven. Vooral zijn beroemde, nooit verzonden ‘Brief aan vader’ roept vragen op: was Hermann, een niet erg fijnbesnaarde self-made Joodse winkelier, werkelijk zo’n monster van ongevoeligheid? Er zit veel passieve agressie in die lange klacht over de vader die het leven van de zoon effectief onmogelijk heeft gemaakt – net zo zit er iets onaangenaam egocentrisch in de eindeloze beschrijvingen van zijn eigen onvolkomenheid in de liefdesbrieven aan Felice. Wilde hij met haar trouwen – ze verloofden zich tot twee keer toe – of wilde hij dat juist voorkomen?

Allebei, waarschijnlijk – en als je die ambivalentie eenmaal hebt gezien, vind je hem overal bij Kafka. De twee kanten van zijn persoonlijkheid, het verlangen om geborgenheid in de wereld te vinden en, anderzijds, het verlangen om zich volledig aan de wereld te onttrekken, waren in een voortdurend gevecht gewikkeld. Kafka wilde trouwen, hij wilde Jood zijn, hij wilde een gezond lichaam hebben, en tegelijkertijd wilde hij dat niet. Het verlovingsdrama met Felice, dat eindigde toen in 1917 bij hem tuberculose werd vastgesteld, is een en al ambivalentie en zelftwijfel; Felice zelf komt er nauwelijks aan te pas.

Zijn noodzaak om te trouwen stond op gespannen voet met zijn noodzaak om te schrijven. Wanneer het hem lukte om te schrijven, had hij het gevoel dat hij volledig met zichzelf samenviel – het leven zat hem dan niet langer in de weg. Toen Felice hem in haar onschuld liet weten dat ze bij hem wilde zijn wanneer hij schreef, liet hij er geen misverstand over bestaan: schrijven was voor hem volledige zelfonthulling, iets waarvoor een mens ‘zolang hij bij zijn verstand is’ in het menselijk verkeer altijd voor terug zou schrikken. Je kon niet alleen genoeg zijn wanneer je schreef, het kon niet stil genoeg zijn, zelfs de nacht was er niet nacht genoeg voor. De beste manier van leven voor hem, hield hij zijn geliefde voor, was in de binnenste kamer van een ruime, afgesloten kelder zitten met zijn schrijfspullen en een lamp. Voedsel zou hem gebracht worden en altijd ver van zijn kamer achtergelaten worden, voor de buitenste deur van de kelder.

Nadat zijn verloving voor de eerste keer verbroken was, voorspelde hij zijn toekomst als schrijver. Zijn talent om zijn ‘droomachtige innerlijke leven’ te verbeelden had al het andere naar de achtergrond gedwongen. Twee jaar daarvoor had hij zijn doorbraak beleefd, toen hij in één nacht zijn verhaal ‘Het vonnis’ schreef. De totale overgave aan het schrijven, noteerde hij toen, was de enige manier om te schrijven: alleen op die manier kon je lichaam en ziel volledig openstellen.

Maar het lukte Kafka zelden om zich volledig over te geven aan het schrijven; hij had zijn werk. Op kantoor had hij te maken met formulieren en rapporten, met claims van verongelukte arbeiders en werkbezoeken aan fabrieken. Hij beklaagde zijn lot, maar hij bracht er nooit verandering in. Wat hem van het schrijven afhield, wat hij haatte – zijn familie, zijn behoefte aan seks en liefde, zijn werk – moet hij ook gekoesterd hebben. Zo graag als hij uit de wereld wilde verdwijnen, zo graag wilde hij ook in de wereld zijn. In een brief aan Felice citeerde hij Napoleon – een held van hem, wat misschien veelzeggend is – die in zijn memoires schreef dat het gruwelijk was om kinderloos te sterven en tegelijk liet hij haar weten dat er niemand minder geschikt was om nageslacht te verwekken dan hijzelf.

Een citaat van een andere held van hem, Gustave Flaubert, onderstreepte eveneens zijn verscheurdheid. Samen met een vriendin, Caroline Commanville, die in 1909 Praag bezocht en daar door Max Brod werd geïnterviewd, bezocht Flaubert eens een vriend met een groot gezin, waarna hij tegen zijn vriendin opmerkte: ‘Ils sont dans le vrai’ – ze leven in waarheid. Die opmerking had een diepe resonans voor Kafka. In een brief aan zijn intellectuele vriendin Milena beschreef hij zichzelf als een dier in het woud dat in een smerige greppel leeft en ineens oog in oog met haar komt te staan. Haar verschijning maakt hem tam, hij verliest zijn angst: ‘Ik was zo gelukkig, zo trots, zo vrij, zo krachtig, zo thuis (so zuhause).’

Dans le vrai, so zuhause. Kafka’s chronische onvermogen om dat verlangen naar thuis-zijn te verwezenlijken doet me denken aan een uitspraak van Woody Allen: „The only thing standing between me and genius is myself”. Het enige wat tussen Kafka en een wereld waarin hij zich thuis kon voelen stond was hijzelf. Hij voelde zich in alles Jood, maar in 1913 schreef hij in zijn dagboek: ‘Wat heb ik met Joden gemeen? Ik heb nauwelijks iets met mezelf gemeen en zou heel stilletjes, tevreden dat ik ademen kan, in een hoekje moeten gaan zitten.’ Toch raakte hij gaandeweg meer geïnteresseerd in het Jodendom en in het zionisme. Aan het einde van zijn leven, toen hij zijn laatste liefde, Dora Diamant, had leren kennen, was er sprake van emigratie naar Palestina, waar het paar een hotel wilde beginnen met Kafka als kelner. Tegelijk kende hij een grote scepsis tegen het idee van een Joodse identiteit, zoals hij sceptisch was over iedere vaste identiteit, alles wat zich als groep aandient. Uit biografieën is moeilijk op te maken of Kafka zionist was of anti-zionist. Waarschijnlijk was hij allebei tegelijk.

Dat Kafka zijn eigen, zwakke lichaam zag als hopeloos van zichzelf vervreemd is bekend; zijn kleine meesterwerk Die Verwandlung, opnieuw vertaald door Willem van Toorn in een verzamelbundel met teksten die Kafka tijdens zijn leven publiceerde, laat zien hoe een lichaam een mens op een fatale manier kan verraden. Maar je kunt Kafka’s obsessie met de onbetrouwbaarheid van het lichaam en met versterving (‘De hongerkunstenaar’) niet los zien van zijn obsessie met een gezond leven – hij was vegetariër, nudist, zonaanbidder. Hij sliep met het raam open, en deed iedere ochtend naakt rek- en strekoefeningen.

De ambivalentie van Kafka was zijn kern – een kern die dus nooit vastomlijnd kon zijn. Het verhaal ‘De passagier’ laat zich lezen als een geloofsbrief van een vertwijfelde: ‘Ik sta op het balkon van de elektrische tram en ben volkomen onzeker omtrent mijn positie in deze wereld, in deze stad, in mijn familie. [...] Ik kan volstrekt niet verdedigen dat ik op dit balkon sta, mij aan deze lus vasthoud, mij door deze wagen laat dragen, dat mensen voor deze wagen opzij gaan of rustig lopen of voor de etalages blijven staan. – Dat vraagt ook niemand van mij, maar dat doet er niet toe.’ De onzekerheid, het verlangen om je thuis te voelen in de wereld en het besef van de fundamentele onbetrouwbaarheid van alles wat zich als werkelijkheid aandient, dat is wat je kafkaësk kunt noemen. Alles is ambivalent, slachtoffers veranderen in beulen, beulen in slachtoffer (‘In de strafkolonie’), zwakken zijn onvermoed sterk, onschuldigen blijken schuldig. De pogingen van K. in Het slot om de onzichtbare machten van het slot op de berg te breken, zijn ook evenzovele pogingen tot zelfvernietiging. In het oorspronkelijke manuscript van de onvoltooide, laatste roman was K. zich van die ambivalentie bewust: ‘Op deze manier vocht ik niet zozeer tegen de anderen als wel tegen mijzelf.’ Dat zinnetje schrapte Kafka later. Te eenduidig, niet ambivalent genoeg.

De gespletenheid waarvan Kafka doortrokken was, zette zich voort tot na zijn dood. Tot op de dag van vandaag vindt een discussie plaats of zijn vriend Max Brod zijn laatste wil had moeten uitvoeren, namelijk alle manuscripten het liefst ongelezen vernietigen. Brod deed dat niet en verdedigde zich onder andere door te stellen dat Kafka wist dat Brod zijn verzoek nooit zou uitvoeren. Gezien Kafka’s eigen ambivalentie ten opzichte van het publiceren van zijn werk – hij wilde het niet, hij wilde het graag – is dat argument geloofwaardiger dan vaak wordt aangenomen.

    • Bas Heijne