Het verband tussen kapitaal en paling

Paling: bedreigde diersoort, en daarom willen de supermarkten een einde maken aan de verkoop.

In de jaren dertig van de vorige eeuw, leerde ik het fascinerendste dat me ooit over de mensheid en de aardrijkskunde is verteld: dat de oppervlakte van het toen door middel van een Afsluitdijk van de Noordzee gescheiden IJsselmeer, groot genoeg was om er de hele wereldbevolking in te laten staan.

De hele wereldbevolking!

Waren we toen met ongeveer twee miljard? Zoiets, denk ik. Dus onvoorstelbaar. Maar het was uitgerekend door professoren, en die duldden in die dagen nog weinig tegenspraak. Misschien verbeeld ik het me, maar ik zie zelfs nog een krant voor me met een kaart van de regio en twintig zwarte blokjes in het water, en daaronder de legenda: 1 blokje = 100 miljoen mensen. En verdomd, ze pasten precies.

Miljoenen Chinezen, Amerikanen, bewoners van Britse koloniën, en nog wat kruimelvolk uit Europa, en daar onder dan nog miljarden, triljarden palingen, want die zwommen daar in letterlijk oneindige hoeveelheden. Dachten we in die tijd.

Op oudejaarsavond aten we toen thuis ook wel een enkele, losse oliebol, maar toch vooral toastjes met paling, bij bowl, die door mijn moeder met een glazen soeplepel werd opgeschept uit een reusachtige, wereldbolachtige kom die óók bowl heette.

Paling was voor mij kapitalisme. Ik kende de precieze betekenis van dat woord vermoedelijk nog niet, maar paling had regelrecht te maken met het kleine bank- en effectenkantoor dat toen met de hulp van mijn vader en twaalf man overig personeel (plus zes bazen), het hoofd boven water probeerde te houden. Crisistijd, moet je bedenken. Dus de bedienden genoten een karig maandsalaris dat, afhankelijk van wat de beurs dat jaar had gedaan, op 31 december zuinig of royaal werd gecompenseerd met een tantième, wat ik nog altijd het mooiste woord vind uit de hele geldhandel, maar dat nu geloof ik niet meer bestaat, of is gedegenereerd tot bonus.

Aan het eind van de oudejaarsochtend werd in het kapitale grachtenpand – ik loop er nog wel eens langs; geen kantoor meer, verkaveld over twintig woonhuisbellen – bekendgemaakt of er überhaupt tantième in zat, en zo ja hoeveel maanden. Dus klokslag twaalf belde mijn moeder het kantoor, kreeg mijn vader aan de lijn, en vroeg:

‘En? Eén?”

Dat was de code. Als hij bevestigde dat het ‘één’ was, begreep mijn moeder dat het één maand was, deed haar jas aan, liep naar de visboer (het idee dat je toen vis bij Albert Heijn zou kopen!) en kocht één pond paling. Zei mijn vader nee, dan kon het twee kanten op: naar niks of naar meer. Dan hoorde ik mijn moeder aan haar kant van de lijn vragen;

‘Toch niet niks?’

Ik denk dat het op zo’n kantoor, waar iedereen kon meeluisteren, niet bon ton was om hardop je aantal extra maanden uit te spreken – misschien kreeg de één ook wel meer, of minder, dan een ander.

Kennelijk had mijn vader m’n moeder gerustgesteld inzake het ‘niks’, want ik hoorde haar vragen:

‘Drie?’

Uit overmoed durfde ze soms één optie over te slaan. En haar volgende vraag, ongelovig:

‘Vier toch niet?’

Vier pond paling. Als je bij één was begonnen en met nul rekening had gehouden, was vier een onoverzienbare weelde, temeer omdat we het over beesten hebben die niemand zich meer kan voorstellen als je aan de anorexia-alen denkt die je tot voor kort bij Jumbo, Lidl, Dirk van den Broek en Albert Heijn onder treurig plastic in een schap zag liggen.

Waarschijnlijk moeten we daaruit ook de oorzaak van de crisis verklaren, en de breekbaarheid van het kapitalisme: het IJsselmeer is leeggevist, en de wereldbevolking past er niet meer in.

    • Jan Blokker