Eindelijk tevoorschijn gekomen

Oud-journalist Paul Hellmann verloor zijn vader in Sobibor, dook als kind onder, raakte verslaafd aan film, en schrijft over nog veel meer in zijn memoires.

Paul Hellmann: Mijn grote verwachtingen. Herinneringen. Augustus. 280 blz. € 22,50.

Ongeveer twee weken geleden begon in München het proces tegen John Demjanjuk. Hij wordt verdacht van medeplichtigheid aan de moord op 27.900 Nederlandse Joden. Een van de medeaanklagers is Paul Hellmann (1935), oud-redacteur van NRC Handelsblad. Zijn vader kwam in april 1943 in Sobibor om het leven, enkele dagen na de indiensttreding van Demjanjuk.

In Mijn grote verwachtingen doet Hellmann verslag van zijn betrokkenheid bij dit proces. Demjanjuk, zo legt hij uit, was niet meer dan ‘een radertje in de vernietigingsmachine van de nazi’s’. Maar juist daarom, meent hij, is het proces tegen hem zo ‘interessant’. Waarom deed hij wat hij dacht te moeten doen? Waar haalde hij de moed vandaan om na de oorlog een gezin te stichten? ‘Het zijn vragen’, schrijft Hellmann beheerst, ‘waarop een antwoord welkom zou zijn.’

Beheerst. Evenwichtig. Zo kan je deze autobiografie wel karakteriseren, maar dat klinkt te bezadigd. Op elke bladzij treft juist de frisse en opgewekte toon, alsof het leven nog maar net begonnen is. Het geestelijk evenwicht waar hij als kleine jongen al naar streeft, moet op wanhoop en treurnis bevochten worden. Gevoelens zijn er genoeg, maar ze moeten in toom worden gehouden.

Paul Hellmann is als zevenjarige al op zichzelf aangewezen. Als deportatie dreigt, raakt hij gescheiden van zijn ouders en van zijn geliefde Rotterdam. In de winter van 1942 heeft hij er al een reeks onderduikavonturen op zitten. Ten slotte belandt hij in Ede, bij ‘Mevrouw’, de dochter van het echtpaar Kröller-Müller. Zij is goedhartig, maar voert een streng huishouden, met tafelzilver en dienstmeisje. Daar, op het tuinpad, ziet Paul zijn vader voor het laatst. Die zal hem na de oorlog komen halen. Tot die tijd moet hij gehoorzaam zijn en op zijn manieren letten. ‘Van een jongen van zeven wordt hier al veel verwacht.’

We zien een jongen opgroeien die het zich niet kan veroorloven om door zijn gevoelens meegesleept te worden. Als hij in september 1944 hoort fluisteren dat zijn vader waarschijnlijk dood is, neemt hij deze jobstijding ‘voor kennisgeving’ aan. Daar kijkt hij later zelf ook ‘met verbazing’ op terug. Het bijzondere is dat deze brave, meegaande jongen toch een eigen smaak ontwikkelt, dwars tegen de normen van de aristocratische Mevrouw in. Hij ontdekt de film. Op zijn twaalfde ziet hij Great Expectations, over Pip, die na een tobberige jeugd een mooi leven tegemoet gaat. Elke gelegenheid wordt voortaan aangegrepen om nieuwe films te kunnen bekijken: ‘een licht raam in het duister’. Het is zijn manier om aan het saaie of juist al te aangrijpende heden te kunnen ontsnappen.

Als hij later, met zijn moeder, bij Marten en Phiny Toonder in Bussum woont, neemt zijn filmverslaving gestaag toe. Met verbazing stelt hij vast dat hij zelfs als student psychologie zijn voorkeur voor ‘het vulgaire’ niet heeft weten af te schudden. ‘Zo had ik niet alleen een onverminderde hang naar zang en dans [...], maar ook naar [...] wat in de filmwereld gemakshalve „horror” heet.’

Een rode draad in het boek vormt die andere horror, van de oorlog. Bij een eindelijk ondernomen bezoek aan het voormalige doorgangskamp Westerbork komt hij in het register de namen van zijn vader en grootmoeder tegen. Dan pas dringt zich het verdriet uit zijn jeugd naar buiten. Merkwaardig genoeg komt hij daar ook zijn eigen naam tegen. Hij blijkt per abuis te zijn geregistreerd als ‘vermist’. Eerst is hij daar ontdaan over, maar later ziet hij in dat het woord wel op hem van toepassing is. Hij was ook zoek. Eerst als onderduiker, later als verdringer van het grote verdriet.

In Mijn grote verwachtingen overheerst de ernst: de zoektocht naar de dode vader, die ook een zoektocht is naar zichzelf. Maar daarnaast is het in allerlei onderdelen ook een droogkomisch boek. Zie bijvoorbeeld de passage waarin hij vertelt over zijn eerste ervaringen in de journalistiek. Bij De Telegraaf mocht hij na een paar moeizame maanden als assistent-fotoredacteur, soms ook kopij leveren. ‘Tot mijn vreugde mocht ik af en toe zelfs, als niemand anders beschikbaar was, een stukje schrijven over een onbetekenende film.’

Tragikomisch is ook het hoofdstuk over de militaire dienst in Austerlitz, begin jaren vijftig. Het is nu niet meer goed voorstelbaar dat de zoon van een oorlogsslachtoffer gewoon moest opkomen voor dienst. Dat hij er niet geschikt voor is, is al op voorhand duidelijk. Marten Toonder doet nog een vergeefse poging om vrijstelling voor hem te krijgen. In Austerlitz legt de sergeant aan de kersverse rekruten uit dat het geweer ‘onze beste vriend’ is. ‘Vooral het exerceren bleek een onmogelijke opgave’, lezen we dan. ‘Het met de anderen in de pas lopen lukte nog met enige moeite; problematisch werd het pas als er, op de plaats rust, bevelen klonken als „presenteer geweer”, die keer op keer aantoonden dat mijn beste vriend en ik allesbehalve een eenheid vormden.’

We leren hier een bescheiden, maar kordate man kennen, die zelf de voorwaarden heeft moeten scheppen voor zijn grote verwachtingen. Hij beschrijft zijn leven met geamuseerde ernst. Tussen de schrijver en de man die hij was blijft steeds een kleine, voor de lezer aantrekkelijke afstand bestaan. We zien een belangstellende observator, die nooit helemaal ergens bij hoort: niet bij zijn ouders en niet bij de verschillende gezinnen waar hij woont, niet bij de Joden en ook niet bij de niet-Joden, niet bij de aristocraten en ook niet bij de gewone mensen. Een vermiste. Maar in dit boek komt hij eindelijk tevoorschijn – en neemt hij zowaar trekken aan van de filmhelden met wie hij zo graag verkeert: sympathiek, herkenbaar, maar toch met een zweem van mysterie.