Een leven als God in Gelderland

Staring (Antonie Christiaan Wijnand) is in het voortgezet onderwijs lange tijd populair geweest om de variabele omvang van zijn gedichten. In de klas had je uitslovers die voor hun declamatiebeurt ‘Boerke Naas’ van Guido Gezelle kozen, of ‘Het geuzenvendel op de thuismars’ van Frederik Hemkes. Durfallen kwamen met een limerickje – er stond nergens dat het verboden was, en als ze het versje niet al te knullig hadden voorgedragen, kregen ze toch nog een zesje voor de moeite. Staring garandeerde een aanvaardbare keuze: naast lange romances een overvloedige hoeveelheid puntdichten – twee- of zesregelige, maar ook snaakse anekdotes die toch nooit de lengte van een sonnet overschreden. Hoe vaak zou in de loop der jaren op Nederlandse scholen ‘Aagt Morsebel’ niet zijn opgezegd, de kookslons die altijd viezigheid in haar eten achterliet met de smoes dat het alleen maar een beetje ‘aangebrand’ was – tot kleine Piet twee kikkerpootjes in de spinazie vindt en vraagt ‘Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?’ Of anders ‘Het hondengevecht’ wel (‘Bereisde Roel zag op zijn togten / geweldig veel! Twee bullebijters vochten voor ’t wijnhuis in’ – nota bene – ‘een kleine Poolsche stad’).

Nog steeds een beetje onsterflijk gebleven, terwijl hij in 1840 al dood was en op z’n mooist als een klein romantisch talent kan worden herinnerd – knap werk.

Misschien wordt hij op donkere adventsnamiddagen in Lochem zelfs nog wel gelezen als favoriet Achterhoeks kunstenaar, die het grootste deel van zijn leven het landgoed De Wildenborch bewoonde en beheerde. Een vroeg-19de eeuwse landman inderdaad, voornamelijk bezig met zijn bezit, uit hoofde van zijn stand ook wel verplicht zo nu en dan bestuurlijke en lokaal-politieke ‘ambten’ – vaak klusjes – te vervullen, en ’s avonds met een boek (Horatius, Huygens en Goethe waren zijn favorieten) en een pen in de buurt voor een eigen inval, bij het haardvuur. Als God in Gelderland.

Het aardige van de ‘biografie’ van Bert Scova Righini zit ’m in de vrijwel volledige afwezigheid van de literatuur. ‘Landheerlijk leven van een denker en doener van statuur’, luidt de ondertitel van het van alle poëzie geschoonde levensbericht, en daar gaat het ook consequent over: hoe sociaal Staring zijn bezit én de omliggende regio verzorgde (hij liet onder meer een dorpsschool bouwen op z’n terrein), hoe hij bewust bosbouw bedreef en het water van de streek managede, wat hij aan voor die tijd innoverende wegenbouw deed, en hoe hij zich het liefst liet kennen als verworteld met z’n geboortegrond.

Meestal kom je in biografieën van 19de-eeuwse kunstenaars het omgekeerde tegen: van Helmers en Tollens tot en met Beets en Ten Kate wordt nauwelijks verteld of hun handel in bouwmaterialen respectievelijk verfwaren een beetje rendeerde en wat hun favoriete bijbelteksten voor de zondagspreek waren – het gaat alleen maar om hun verzen. Misschien hoort dat ook bij de tijd: gedichten vertegenwoordigden het Hogere – dat wat ze in hun vrije avonduren schiepen was dus belangrijker dan hoe ze, laag-bij-de- gronds, aan de kost kwamen. En ook dat onderscheid was waarschijnlijk weer typerend voor de eeuw. Op Multatuli na was er toch niemand die zich full time als artiest kon gedragen? Zelfs Busken Huet moest schnabbelen.

Over een aantal dingen blijft Righini bij al z’n landbouw- en waterloopkundige details vaag. Staring was, net als Helmers. Tollens en Loosjes, geboren in de 18de eeuw, en in de dagen van bijna-burgeroorlog en revolutie oud genoeg om een eigen politiek standpunt in te nemen. Staring was twintig in 1787. Een jonge patriot, een Oranjeklant, of half om half? Hij was nog geen dertig toen de Bataafse Republiek werd gevestigd, die hem weer sterker bij de (regionale) politiek betrok. Maar hoe? Als principieel (Gelders) federalist? En waarom liet hij zich nog begin 1813, dus formeel nog door Napoleon, tot burgemeester van het Gelderse Laren benoemen? Toch een beetje bang voor de Fransen? Niet vies van de wedde (hij schijnt een zuinig man geweest te zijn)? Uit verantwoordelijkheidsgevoel omdat er niemand anders was, of wilde? Als we ons nou toch op de ‘mens’ (in plaats van op de dichter) concentreerden, was heldere informatie niet overbodig geweest.

Dat in een uit zoveel literatuur samengesteld boek geen register is opgenomen behoort – net als vele redigeerfouten – tot de hinderlijkste uitgeversmanco’s. Schrappen van de lijst van betrouwbare huizen, zou je haast zeggen. Maar het idee van een 19de-eeuwse schrijversgeschiedenis die met grote hardnekkigheid de letterkundige bijproducten negeert en zich exclusief houdt aan het huiselijk en zakelijk leven van Rhijnvis Feith tot en met Willem Kloos – zou dat voor Marita Mathijsen in de jaren van haar zojuist begonnen emeritaat niet een schitterend onderwerp zijn?

Bert Scova Righini, A.C.W. Staring 1767-1840. Landheerlijk leven van een denker en doener van statuur. Walburg Pers, 350 blz. € 39,50.

    • Jan Blokker