De Mongoolse steppe droogt uit

Herders in Mongolië verliezen hun beesten door kou en verwoestijning. Sommige boeren verlangen terug naar de gereguleerde veeteelt uit het tijdperk van het communisme.

Dambartsan (55) zit op een krukje bij de kachel in zijn ger, de traditionele schapenwollen hut van de Mongoolse nomaden. Hij wrijft eens in zijn handen, rolt een sigaret. Buiten loeit de wind, een hond blaft. Het wordt al koud op de steppe.

Dambartsan – wollen trui, laarzen tot aan zijn knieën – is herder, net zoals zoveel van zijn landgenoten: meer dan de helft van de bevolking van Mongolië (2,7 miljoen) leeft op het platteland. Hier in Arvaicheer, drie uur rijden ten westen van de hoofdstad Ulan Bator, houdt hij zo’n 300 beesten. Wat schapen, wat paarden en een boel geiten.

Hij doet dit al zijn hele leven. Zijn ouders waren herders, zijn grootouders en hun ouders. Dambartsan wil sterven op de steppen, zegt hij. Maar dat kan niet. Eigenlijk kan hij het niet meer volhouden. Deze winter is zijn halve kudde doodgegaan, zo koud was het, vertelt hij zacht. En voor zijn producten krijgt hij tegenwoordig vrijwel niks meer. Een geitenhuid levert hooguit vijftig cent op.

Zwijgend gooit hij nog een lap gedroogde koeienmest op het vuur. In de ger hangt een zure lucht, van de airag, gefermenteerde paardenmelk. „We kunnen het bijna niet meer bolwerken.”

Dambartsans problemen zijn dezelfde als die van alle nomaden in Mongolië: strenge winters en steeds lagere prijzen. Nu de bankiers van Wall Street door de crisis op straat staan en geen pakken meer kopen, zijn de prijzen van kasjmierwol, hun belangrijkste product, scherp gedaald. Honderdduizenden nomaden hebben om die reden al hun bestaan op het platteland de rug toegekeerd en zijn naar de stad getrokken – meestal tevergeefs overigens.

Sinds kort hebben de nomaden er nog een probleem bij: het land verandert in hoog tempo in een zandbak, waardoor er steeds minder groeit en de beesten minder te eten hebben. Met alle gevolgen voor de voedselvoorziening.

Volgens wetenschappers wordt die verwoestijning voor een deel veroorzaakt door het veranderende klimaat. Maar volgens Sumiya Enchbold van de met Zwitsers geld gefinancierde organisatie CODEP (Coping with Desertification Project), ligt de belangrijkste oorzaak bij de herders zelf. Mongolië was een satellietstaat van de Sovjet-Unie. Toen na de val van het communisme de vrije markt intrad en de prijzen daalden, zijn de herders steeds meer dieren gaan houden.

Sinds 1991 is het aantal beesten verdubbeld tot circa veertig miljoen, waarvan het merendeel geiten (vanwege de relatief goede prijs voor kasjmierwol). Maar juist geiten eten het gras met wortel en al op, waardoor het langzamer teruggroeit.

De herders werken dus aan hun eigen ondergang, zegt Enchbold. „Het is de tragedie van de gewone man. Eerst mochten ze niks, toen mochten ze ineens alles. En wat ze deden was meer beesten houden om hun welvaart te vergroten. Maar zonder na te denken over de consequenties.”

Volgens sommige wetenschappers wordt 70 procent van Mongolië op dit moment bedreigd door verwoestijning. De Gobiwoestijn in het zuiden van het land rukt op. In de straten van Los Angeles, en in steden in Zuid-Korea en China, ligt zand dat is komen overwaaien uit de Gobi. China plant bomen in Mongolië om dit zand buiten de deur te houden.

De problematiek wordt nog verergerd doordat de dieren zich op bepaalde plekken concentreren, het gevolg van de teloorgang van een uitgestrekt waterputtennetwerk dat nog uit de sovjettijd dateert. Het communistische Mongolië had zo’n 55.000 waterputten, maar nadat het IJzeren Gordijn viel en de geldstroom uit Moskou opdroogde, ging zo’n 70 procent daarvan kapot. Rond de resterende putten verkalen de weides in hoog tempo door overbegrazing.

De overheid heeft beperkte middelen om de verwoestijning te bestrijden. Alternatieve banen creëren is geen optie omdat er geen geld is. De regering probeert herders te stimuleren over te gaan op gewassenteelt, maar dat is moeilijk zonder een goede infrastructuur om verse producten te vervoeren naar de steden.

Een van de meest besproken oplossingen is nu het invoeren van een systeem van landbezit. Als iedere herder een lapje grond heeft waarvoor hij zelf verantwoordelijk is, dan zullen de nomaden vanzelf beter nadenken over hoeveel dieren ze kunnen houden, is het idee. Maar in een land als Mongolië, waar de nomadentraditie erfgoed is, is dat een haast onmogelijke opgave. Enchbold: „Als je de herders landrechten geeft, gaat dat in tegen hun gewoontes, hun tradities. De herders zijn nomaden. Het land privatiseren betekent het einde van het nomadisme.”

Dambartsan, de herder uit Archaiveer, pleit daarom voor een onorthodoxe aanpak. Hij weet dat hij een onderdeel is van het probleem, zegt hij, en het doet hem elke dag pijn het land te zien veranderen. Wat hem betreft kan Mongolië maar beter terugkeren naar de oude tijden, van het communisme, toen alles nog gereguleerd was. „Iedereen denkt tegenwoordig alleen nog maar aan zichzelf. Het land is er slecht aan toe. Toen er nog collectieve boerderijen waren, was alles beter.” Zwijgend gooit hij nog maar een koeienvlaai in de haard.

    • Chris Hensen